Home
Events
Project
Album
History
Links
Contact










Disclaimer

     

(in opbouw / under construction)

Thailand: geschiedenis

1. Geschiedenis





Inleiding

Er is weinig bekend over de eerste bewoners van het huidige Thailand, maar uit recente archeologische vondsten in het noordoosten van Thailand blijkt dat men daar al 4.000 tot 5.000 jaar geleden rijst moet hebben verbouwd en brons moet hebben gegoten. Aan het begin van de moderne tijdrekening heersten verschillende stammen over Thailand. De Mon en de Khmer stichtten machtige koninkrijken en heersten over grote delen van het land. Door hun contacten met andere Zuid-Aziatische volkeren namen ze de religieuze, sociale, politieke en culturele stromingen en instellingen van hen over. Dat gedachtegoed en die structuren beïnvloedden in sterke mate de ontwikkeling van zowel de cultuur als de nationale identiteit van Thailand. De Tai - niet te verwarren met Thai - waren een volk dat oorspronkelijk in Zuidwest-China woonde en gespreid over verschillende eeuwen naar Zuidoost-Azië migreerde. Het eerste spoor van hun aanwezigheid in dit gebied zijn de uit de 12de eeuw daterende opschriften in het Khmer-tempelcomplex van Angkor Wat in het huidige Cambodja. Daarin wordt verwezen naar de syam of donkerbruine mensen. Het woord komt misschien van het Sanskriet-woord shyama, dat goudbruin of getaand betekent en verwijst naar de donkere huidskleur van de Tai. Volgens andere bronnen zou siam staan voor vrij of zou het een Portugese verbastering van het Chinese woord Xian zijn. In Noordwest-Thailand en Myanmar sprak men Syam trouwens als Shan uit. James Lancaster, een Engelse koopman, zette in 1592 de eerste Engelse transliteratie van Siam op papier. Tijdens de Khmer-periode waren de Syam vazallen van de Khmer-koning. In 1238 scheurde een hoofdman van de Tai zich van de Khmer af en vestigde hij een onafhankelijk koninkrijk in Sukhothai, in de brede vallei van de rivier Chao Phraya, in het midden van het hedendaagse Thailand. In de 14de eeuw werd Sukhothai opgevolgd door het koninkrijk Ayutthaya. De Birmanen vielen dat koninkrijk binnen en verwoestten in 1767 de hoofdstad. Taksin en Chakri, twee nationale helden van Thailand, verdreven de invallers korte tijd later en herenigden het land onder de Chakri-dynastie. In de eeuwen erna kreeg de Thaise nationale identiteit almaar concreter vorm. Er kwamen een gemeenschappelijke taal en godsdienst en ook de monarchie werd een vaste instelling. De inwoners van Thailand vormen een mengeling van Tai, Mon, Khmer en andere etnische groepen, maar toch spreken de meesten een taal die behoort tot de taalfamilie van het Tai. Begin 14de eeuw werd een op Indische en Khmer-lettertekens gebaseerd alfabet voor het Tai ontwikkeld. Later diezelfde eeuw maakte Ramathibodi, een befaamde koning, van het theravadaboeddhisme de staatsgodsdienst. Tot op vandaag heeft het boeddhisme een belangrijke invloed op het sociale, culturele en politieke leven in de Thaise natie. Gesteund door de hindoeïstische en boeddhistische mythologie bleef de monarchie meer dan zeven eeuwen heel populair. Ook op het eind van de 20ste eeuw was de monarchie nog altijd van essentieel belang voor de nationale eenheid. Tijdens de 20ste eeuw vormden niet Thailands traditionele vijanden maar het Europese expansionisme de grootste bedreiging voor het koninkrijk. Als enig Zuidoost-Aziatisch land slaagde Thailand erin onafhankelijk te blijven en werd het niet gekoloniseerd. Voor een deel had het dit te danken aan het verlangen van Frankrijk en het Britse Rijk naar een stabiele bufferstaat tussen hun kolonies in Birma, Malaya en Indochina. Maar vooral had het dit te danken aan de bereidheid van de Thaise koningen Mongkut (Rama IV, 1851-1868) en Chulalongkorn (Rama V, 1868-1910) om openlijk met de Europese grootmachten te onderhandelen en hervormingen naar Europees model uit te voeren, het land te moderniseren en de soevereine status van Thailand tussen alle overige landen van de wereld te garanderen. Thailand - het toenmalige Siam - moest voor het behoud van zijn onafhankelijkheid wel een hoge prijs betalen. Het verloor de soevereiniteit over Cambodja en Laos ten gunste van Frankrijk en moest de noordelijke staten van het Maleise Schiereiland (Malaya) aan de Britten afstaan. In 1910 was het grondgebied dat onder Thaise heerschappij viel nog slechts een fractie van wat het een eeuw geleden was geweest. Gedurende de eerste decennia van de 20ste eeuw ondergingen het politieke bestel, de strijdkrachten, het onderwijs en de economie van Thailand ingrijpende veranderingen. Veel Thais studeerden overzee en er ontstond een kleine, in het Westen opgeleide elite die er minder traditionele ideeën op na hield. In 1932 maakte een geweldloze staatsgreep van legerofficieren en ambtenaren een eind aan de absolutie monarchie en werd het begin van de grondwettelijke periode in Thailand ingeluid. Toch ging Thailands pad naar een stabiel, democratisch land niet over rozen. Rivaliserende klieken van militairen en bureaucraten, geleid door machtige generaals, domineerden het politieke gebeuren. Die clans lagen aan de basis van verschillende staatsgrepen waarbij gedurende lange tijd de staat van beleg gold. Sinds 1932 kende Thailand niet minder dan zestien verschillende grondwetten. De burgers die in het parlement zetelden, waren in werkelijkheid marionetten van de militairen. In januari 2001 werd de zakenman Thaksin Shinawatra premier van Thailand. Thaksin trad keihard op tegen de drugsdealers en de islamitische terroristen in het zuiden van het land en hij zorgde ervoor dat ook de armere streken welvarender werden, maar hij maakte wel handig gebruik van zijn functie als premier om zijn zakelijke belangen nog verder uit te bouwen. Hij bezondigde zich ook aan nepotisme. Op 19 september 2006 maakte het leger met een staatsgreep een eind aan het waarnemend premierschap van Thaksin. Sindsdien is Thailand opnieuw een monarchie waar parlement en democratie de facto buiten spel gezet zijn en de militairen aan het bewind zijn. Zowel in binnen- als buitenland lijkt de zoveelste - overigens vreedzaam verlopen - coup een storm in een glas water geweest te zijn, maar het is nog de vraag of ook buitenlandse investeerders er zo over denken, uitgerekend nu de economie in Aziatische landen zoals China en India aan een geweldige opmars bezig is, Thailand nog aan het bekomen is van de Zuidoost-Aziatische economische crash van de jaren 90 en de nieuwe Thaise regering voor buitenlandse investeerders weinig aantrekkelijke wetten uitvaardigt.



1.1. Vroegste geschiedenis

In de loop van enkele duizenden jaren trokken mensen uit Zuid-China weg en bevolkten ze andere gebieden in Zuidoost-Azië, onder meer het huidige Thailand. Dankzij archeologische vondsten weet men dat er tijdens het jong-paleolithicum (35.000 tot 10.000 jaar geleden) in dit gebied menselijke activiteit was. Al minstens 20.000 jaar zouden er mensen in dit gebied wonen. De economische en sociale ontwikkeling verliep niet vlot en was sterk afhankelijk van de geografische en klimatologische omstandigheden. De dichte wouden in de vallei van de Chao Phraya in Centraal-Thailand en op het Maleise Schiereiland in het zuiden waren zo rijk aan voedsel, dat daar lange tijd alleen jagers en verzamelaars woonden. In de heuvels in het noorden van Thailand verbouwden de mensen al vroeg rijst en ontwikkelde zich een hechter gemeenschapsleven met de bijhorende sociale en politieke structuren. Tijdens opgravingen in Ban Chiang, een dorpje op het Plateau van Khorat in het noordoosten van Thailand, kwamen bronzen gebruiksvoorwerpen aan het licht die wellicht reeds 3.000 jaar v.C. werden vervaardigd. Tijdens het vierde millennium v.C. zouden de prehistorische bewoners in Ban Chiang al rijst verbouwd hebben. Daardoor zou het Plateau van Khorat het oudste rijst producerende gebied van Azië zijn. In diezelfde periode verbouwden de inwoners van China immers nog gierst. Volgens de archeologen werden de bronzen gebruiksvoorwerpen ter plaatse vervaardigd en niet van ergens anders geïmporteerd. In de onmiddellijke omgeving van de sites van Ban Chiang vonden ze immers koper- en tinvoorraden, de ertsen waarmee brons wordt gemaakt. Daardoor zou men in Thailand reeds bronzen voorwerpen hebben gemaakt lang voor de bronstijd, die volgens de archeologie rond 2800 v.C. in het Midden-Oosten begon en zowat duizend jaar erna in China.






Bronzen gebruiksvoorwerpen uit 3000 v.C.,
gevonden op archeologische sites bij Ban Chiang





Aardewerk uit Ban Chiang
(©Museum voor Indische Kunst, Berlijn-Dahlem)


Voor het eind van het eerste millennium voor onze tijdrekening gingen de territoria van de stammen op in koninkrijken waarvan de namen werden overgeleverd in Chinese dynastieke kronieken uit die tijd. Funan was een vrij groot koninkrijk dat zich in de 2de eeuw v.C. opwierp als de eerste en belangrijkste grootmacht in Zuidoost-Azië. De heersende, hindoeïstische klasse van Funan controleerde een gebied dat het huidige Cambodja omvatte en zich zelfs uitstrekte tot het centrum van het hedendaagse Thailand. De handel van Funan was gebaseerd op zeehandel en een goed ontwikkelde landbouw. Funan onderhield nauwe handelsbetrekkingen met India en was de uitvalsbasis voor brahmaanse handelaars-zendelingen, die de hindoecultuur in Zuidoost-Azië verspreidden. Langs de landengte ten zuiden van Funan controleerden Maleise stadstaten de routes waarlangs handelaars en reizigers tussen India en Indochina heen en weer reisden. In de 10de eeuw had de machtigste stadstaat, Tambralinga (het huidige Nakhon Si Thammarat), de controle over alle handelsroutes op het Maleise Schiereiland veroverd. Samen met andere stadstaten van Malaya en Sumatra vormde Tambralinga het Rijk van Srivijaya, een maritieme confederatie van staten die de handel in de Zuid-Chinese Zee van de 7de tot de 13de eeuw domineerde en tol hief op alle verkeer door de Straat van Malakka. In Tambralinga werd het boeddhisme de staatsgodsdienst, maar verder naar het zuiden bekeerden veel stadstaten van Malakka zich tot de islam. In de 15de eeuw was er een duidelijke scheidingslijn ontstaan tussen het boeddhistische Zuidoost-Azië en het islamitische Malakka. De Thais veroverden in de 13de eeuw weliswaar de staten op het schiereiland en die gebieden behoren nu nog altijd tot Thailand, maar toch werden de inwoners van Malakka nooit echt in de Thaise samenleving opgenomen. De verschillen in godsdienst, taal en etnische afstamming zorgden voor - ook nu nog altijd aanhoudende - sociale en politieke spanningen tussen de centrale overheid en de zuidelijke provincies.




Koninkrijken Dvaravati, Chenla, Funan, Champa
5de eeuw




1.1.1. Mon en Khmer

De nauw met elkaar verwant Mon en Khmer trokken in de 9de eeuw v.C. langs migratieroutes uit zuidelijk China naar Zuidoost-Azië. De Khmer vestigden zich in vallei van de Mekong, de Mon bevolkten de centrale laagvlakte en de noordelijke heuvels van het hedendaagse Thailand en ook grote delen van Birma. Dankbaar gebruik makend van de val het Chinese koninkrijk Funan in de 6de eeuw richtten de Mon onafhankelijke koninkrijken op, onder meer Dvaravati in het gebied dat vroeger door Funan werd gecontroleerd en verder naar het noorden in Haripunjaya. Dvaravati was een los verband van stadsstaatjes. De naam Dvaravati komt uit het Sanskriet en betekent letterlijk stad met poorten, genoemd naar de stad van Krishna in het Indische epos Mahabharata. Goerge Coedes, een Frans historicus, ontdekte de naam op muntstukken die in de omgeving van de stad Nakhon Pathom werden opgegraven. Die stad zou het middelpunt van de Dvaravati-cultuur gevormd hebben. In Dvaravati werden veel mooie kunstwerken gemaakt, onder meer duidelijk herkenbare boeddhabeelden (met onmiskenbare Indische Gupta-invloed), stucversieringen op tempels en in grotten, bouwwerken (waarvan slechts weinige bewaard zijn gebleven), prachtige terracottahoofden, votieftafels en andere beeldhouwwerken. Dvaravati was wellicht een culturele schakel tussen de pre-angkor-culturen van het oude Cambodja en Champa in het oosten. Dankzij het reisverslag van de Chinese boeddhistische monnik Xuanzang kenden de Chinezen dit gebied als Tuoluobodi, gelegen tussen Sriksetra (noordelijk Myanmar) en Tsanapura (Sambor Prei Kuk-Kambuja). Tussen de 9de en 15de eeuw vestigden de Khmer hun grote rijk. De hoofdstad van het Khmer-rijk werd Angkor (vlakbij het huidige Siem Reap) in Cambodja. Alleen het gebied rond Hariphunchai (de huidige stad Lamphun in Thailand) wist tot eind 12de of begin 13de eeuw het hoofd te bieden aan binnenvallende Khmers. In Lamphun vindt men in Wat Kukut nog de sporen van de Dvaravati-architectuur. De Mon stonden open voor de kunst en de literatuur uit India en verspreidden gedurende vele eeuwen de hindoeïstische culturele waarden in deze streek. De veel voorkomende plaatsnamen in het Sanskriet in het huidige Thailand is een van de gevolgen van deze lange en diepgaande Indiase invloed. Tijdens de 8ste eeuw introduceerde zendelingen uit Ceylon (het huidige Sri Lanka) het theravadaboeddishme bij de Mon. Die stapten gretig naar het boeddhisme over en verspreidden het op hun beurt onder de Khmer en de Maleiers van Tambralinga. De twee Indiase godsdiensten, hindoeïsme en boeddhisme, bleven vreedzaam naast elkaar bestaan. Het hindoeïsme bleef de culturele voedingsbodem waarop boeddhistische religieuze waarden en ethische normen werden geënt. Het boeddhisme was weliswaar de officiële godsdienst van de Mon en de Khmer, maar in de praktijk was dat boeddhisme doorspekt met talrijke lokale animistische culten. Ondanks hun culturele overheersing in de regio, werden de Mon herhaaldelijk onderworpen door hun Birmaanse en Khmer-buren. In de 10de eeuw kwamen Dvaravati en de hele Chao-Phraya-vallei onder de controle van Angkor. De Khmer behielden weliswaar het hindoeïstisch-boeddhistische culturele erfgoed dat ze van de Mon overnamen, maar ze legden een grotere nadruk op het hindoeïstische concept van het heilige koningschap. De geschiedenis van Angkor kan men aflezen op de prachtige bouwwerken die ter verheerlijking van de monarchie werden opgetrokken. In Kanchanaburi, Lopburi en veel andere steden in Noordoost-Thailand vindt men nog Khmer-bouwwerken. De obsessie van de Khmer-vorsten voor paleizen en tempels leidde er echter uiteindelijk toe dat zij te veel mankracht voor de bouw hiervan reserveerden en hun ingewikkelde landbouwsysteem begonnen te verwaarlozen. Die landbouw had Angkor van het vroegere Chinese koninkrijk Funan overgeërfd en ze vormde nog altijd de belangrijkste economische troef van het Khmer-rijk. Brahmaanse elementen, theravadaboeddhisme en mahayanaboeddhisme werden vermengd, toen Lopburi een religieus centrum werd. Zelfs in de hedendaagse Thaise religieuze en hofceremonies vindt men nog sporen van het brahmanisme en de andere boeddhistische stromingen.




Koninkrijk Dvaravati (maximale uitbreiding)
6de - 11de eeuw




Europa, Noord-Afrika en Azië rond 1200
83 = Khmer-rijk
1 = Noorwegen
2 = Zweden
3 = Denemarken
4 = Saami
5 = Esten
6 = Letten
7 = Litouwen
8 = Pruisen
9 = Polen
10 = Heilig Roomse Rijk
11 = Hongarije
12 = Venetië
13 = Servië
14 = Bulgarije
15 = Sicilië
16 = Byzantijnse Rijk
17 = Feodale Republiek Novgorod
18 = Russische vorstendommen
19 = Wolga-Bulgaren
20 = Basjkieren
21 = Kyptsjak-Koemaanse kanaten
22 = Alanen
23 = Georgië
24 = Seltsjoeken van Roem (Anatolië)
25 = Kruisvaardersstaten
26 = Diyarbakir
27 = Zengiden
28 = Kalifaat van de Abbasiden
29 = Ajjoebidische sultanaten
30 = Almohaden
31 = Berber-stammen
32 = Tsjadische stammen
33 = Makoerra
34 = Axum
35 = Ethiopische en Somalische stammen
36 = Arabische stammen
37 = Khwarizmiden
38 = Samojedische stammen
39 = Jakoeten
40 = Turkse stammen
41 = Khakassiërs
42 = Toengoezische stammen
43 = Paleosiberische stammen
44 = Kirgiezen
45 = Tataren
46 = Merkieten
47 = Mongolen
48 = Ongirrad-stam
49 = Jalayriden-stam
50 = Tayitsjioed-stam
51 = Kereit-stam
52 = Tuyanen
53 = Naimanen
54 = Oejgoeren
55 = Kara-Kitan
56 = Tangoeten
57 = Jin-dynastie (Jurchen-dynastie)
58 = Goryeo-dynastie
59 = Japan
60 = Song-dynastie
61 = Tibetaanse koninkrijken en stammen
62 = Kasjmir
63 = Sultanaat Ghurid
64 = Sindh
65 = Malwa
66 = Nepal
67 = Bengalen
68 = Hindoe-staten
69 = Kamataka
70 = Kerala
71 = Koninkrijk Chola
72 = Sri Lanka
73 = Nan Chao
74 = Assam
75 = Koninkrijk Pagan
76 = Koninkrijk Arakan
77 = Pegu-koninkrijken
78 = Dai Viet Quoc
79 = Koninkrijk Champa
80 = Koninkrijk Srivijaya
81 = Koninkrijk Po-Ni
82 = Kediri





Khmer-rijk
9de - 15de eeuw




1.1.2. Tai, oorsprong en migratie

De voorouders van de moderne Thais waren Tai sprekende volkeren die ten zuiden van de Jangtsekiang (Blauwe Rivier) woonden op het bergachtige plateau van wat nu de Chinese provincie Yunnan is. Volgens oude Chinese aantekeningen (de eerste Chinese verwijzing naar de Tai dateert uit de 6de eeuw v.C.) teelden de Tai rijst in de moerassen in valleien en laaglanden. Tijdens het eerste millennium en voor de oprichting van formele staten door Tai sprekende eliten leefden deze mensen verspreid over dorpen die samen een muang vormden. Elke muang werd geregeerd door een chao, een heer, van wie het gezag berustte op zijn persoonlijke kwaliteiten en zijn optreden als beschermheer voor een schare beschermelingen. De dorpen die samen een muang vormden, verenigden zich vaak om hun grondgebied te verdedigen tegen machtige buren zoals de Chinezen en Vietnamezen. De staat Nanchao (650-1250) speelde een doorslaggevende rol in de ontwikkeling van de Tai. In het midden van de 7de eeuw voelde de Chinese Tang-dynastie zich in het westen bedreigd door machtige buren zoals Tibet. Daarom wilde zij haar zuidwestelijke grenzen beveiligen door de oprichting aan te moedigen van een bevriende staat van man (zuidelijke barbaren) in de Yunnan-regio. Die staat werd Nanchao. Oorspronkelijk was Nanchao een bondgenoot van de Chinezen, maar in de eeuwen erna ontpopte deze staat zich tot een machtige vijand en breidde hij zijn territorium uit tot in het huidige Birma en het noorden van Vietnam. In 1253 veroverden de troepen van de Koeblai Khan, een afstammeling van Dzjengis Khan, Nanchao en namen ze de staat op in het (Chinese) rijk van de Yuan-dynastie. Nanchao was op twee manieren belangrijk voor de Tai-volkeren. Als Nanchao niet had bestaan, waren de Tai zoals de meeste oorspronkelijk niet-Chinese volkeren ten zuiden van de Jangtsekiang wellicht volledig geassimileerd door de Chinese cultuur. En Nanchao stimuleerde de Taise migratie en expansie. Gedurende verschillende eeuwen drongen groepen Tais uit Yunnan verder in Zuidoost-Azië door. In de 13de eeuw hadden ze zelfs al Assam (in het huidige India) bereikt. Nadat ze zich hadden gevestigd, werden ze in Birma bekend als de Shan en in het gebied van de Boven-Mekong als de Lao. In Tonkin en Annam, het noordelijke respectievelijk centrale deel van het huidige Vietnam verenigden de Tai zich in verschillende stammen: Tai Dam (zwarte Tais), Tai Deng (rode Tais), Tai Khao (blanke Tais) en Nung. Toch vestigden de meeste Tais zich aan de noordelijke en westelijke rand van het Khmer-rijk. De meeste Thais beschouwen nog altijd de stichting van het koninkrijk Sukhothai als het begin van een afzonderlijke Thaise natie. In 1238 riep Sri Intraditya, een Taise hoofdman, de onafhankelijkheid van de Khmer-opperheren uit en vestigde hij een koninkrijk in Sukhothai. Na de verovering van Nanchao door Koeblai Khan trokken talrijke Tais daar weg en consolideerden ze de onafhankelijke Tai-staatjes. Taise krijgers op de vlucht voor de Mongoolse indringers vestigden zich in Sukhothai. Zo werd Sukhothai nog machtiger en kon het zijn suprematie tegenover de Khmer in de centrale laagvlakte nog verstevigen. In het noorden veroverden Taise krijgers de oude Mon-staat Haripunjaya. In 1296 stichtten ze het koninkrijk Lan Na met als hoofdstad Chiang Mai.




Koninkrijken Lan Na, Phayao, Nan, Sukhothai, Ayutthaya
14de eeuw




1.1.3. Sukhothai

Sukhothai ligt aan de Mae Nam Yom op zowat 375 kilometer ten noorden van het huidige Bangkok. De stad is de bakermat van de Thaise beschaving, want hier ontwikkelden zich de eerste instellingen en de cultuur van het hedendaagse Thailand. Op het eind van de 13de eeuw vestigden zich hier inwoners uit de centrale laagvlakte nadat ze zich van het juk van de Khmer-heerschappij hadden bevrijd. Ze noemden zichzelf dan ook Thai, dat wil zeggen vrij, om zich te onderscheiden van de andere Tai sprekende mensen die nog onder vreemde heerschappij leefden. In de 13de eeuw veroverde het koninkrijk Sukhothai de Landengte van Kra, die het Maleisisch Schiereiland met het Aziatische vasteland verbindt. De staatskas werd gestijfd met oorlogsbuit en belastingen van de vazalstaten in Birma, Laos en op het Maleisisch Schiereiland. De eerste vorst van Sukhothai van wie historische documenten bewaard zijn gebleven, was Ramkhamhaeng (Rama de Grote, 1277-1317). Hij was een bekend krijgsman die zich uitriep tot de souvereine heerser over alle Tais. Hij financierende zijn hofhouding met oorlogsbuit en belastingen uit vazalstaten in Birma, Laos en Malaya. Tijdens zijn heerschappij werden er diplomatieke betrekkingen tussen Sukhothai en China (Yuan-dynastie) aangeknoopt en erkenden de Thais de Chinese keizer als opperheerser van het Thaise koninkrijk. Ramkhamhaeng haalde Chinese ambachtslieden naar Sukhothai om er de pottenbakkersindustrie te helpen ontwikkelen. 500 jaar lang vormde die industrie een pijler van de Thaise economie. Ramkhamhaeng bedacht ook het Thaise alfabet door de aanpassing van een Khmer-geschrift dat op zijn beurt van het Indische Devenagari-geschrift was afgeleid. Na de dood van Ramkhamhaeng kende Sukhothai een snel verval, want de vazalstaten onttrokken zich aan de suzereiniteit van zijn zwakke opvolgers. De latere koningen van Sukhothai werden geroemd om hun wijsheid en vroomheid, maar toch moest het politiek verzwakte Sukhothai zich uiteindelijk in 1378 onderwerpen aan het Thaise koninkrijk Ayutthaya. Tijdens en na de Sukhothai-periode kende het Thais-sprekende koninkrijk Lan Na een grote bloei in het noorden vlakbij de grens met Birma. De hoofdstad was Chiang Mai, dat vaak ook als naam voor dit koninkrijk wordt gegeven. Lan Na werd een onafhankelijke stadsstaat in 1296. Tussen de 16de en 18de eeuw kwam Lan Na onder controle van Birma.


Koningen van de Sukhothai-periode

Naam en/of koninklijke titel Dynastie Regeerperiode
Poh Khun Sri Intratitya Phra Ruang1238 - 1257
Poh Khun Bahn Mueang Phra Ruang1257 - 1278
Poh Khun Ramkhamhaeng Phra Ruang1278 - 1298
Phaya Leh ThaiPhra Ruang1298 - 1347
Phaya Nguanamthom Phra Ruang1347
Phaya Li Thai (Phra Maha Dhamma Racha I) Phra Ruang1347 - 1368/1374
Phra Maha Dhamma Racha IIPhra Ruang1368/1374 - 1399
Phaya Sai Leu Thai (Phra Maha Dhamma Racha III) Phra Ruang1399 - 1419
Phra Borommapan (Phra Maha Dhamma Racha IV) Phra Ruang1419 - 1438



1.2. Koninkrijk Ayutthaya, 1350-1767

Het koninkrijk Ayutthaya werd gesticht door U-Thong, een avonturier die naar verluidt afkomstig was van een rijke Chinese koopmansfamilie die met leden van het koningshuis was getrouwd. In 1350 verhuisde U-Thong uit vrees voor een epidemie zijn hof naar het zuiden, in de rijke drassige vlakten langs de Chao Phraya. Op een eiland in de rivier stichtte hij ein 1351 en nieuwe hoofdstad en hij noemde ze Ayutthaya naar Ayodhya in Noord-India, de stad van Rama, de held van het hindoe-epos Ramayana. Als koning naam U-Thong de naam Ramathibodi (1350-1360) aan. Ramathibodi probeerde zijn koninkrijk weer één te maken. In 1360 riep hij het theravada-boeddhisme uit tot staatsgodsdienst van Ayutthaya. Hij liet leden van een sangha, een boeddhistische kloostergemeenschap uit Ceylon, overkomen om nieuwe religieuze regels vast te leggen en dit geloof bij zijn onderdanen te verspreiden. Hij stelde ook een juridische codex op, gebaseerd op de Indische Dharmashastra (een hindoeïstische codex) en de Thaise gebruiken. Die vormde de basis voor de koninklijke wetten en was opgesteld in het Pali, een Indo-Iraanse en nauw met het Sanskriet verwante taal en de taal van de theravada-boeddhistische heilige geschriften. De codex had de kracht van een goddelijke wet. Aangevuld met koninklijke decreten bleef de codex van Ramathibodi van kracht tot eind 19de eeuw. Ayutthaya werd op het eind van de 14de eeuw beschouwd als de sterkste mogendheid in Zuidoost-Azië, maar het had onvoldoende mankracht om de regio te blijven domineren. Tijdens het laatste jaar van zijn koningschap veroverde Ramathibodi de stad Angkor bij de eerste van een reeks succesvolle Thaise aanvallen op de hoofdstad van het Khmer-rijk. Het Thaise beleid bestond erin de oostelijke grens van Ayutthaya te beveiligen door Vietnamese aanspraken op Khmer-grondgebied voor te zijn. De verzwakte Khmers moesten zich met tussenpozen aan de Thaise soevereiniteit onderwerpen, maar pogingen van Ayutthaya om de controle over Angkor te behouden mislukten herhaaldelijk. Thaise troepen moesten immers vaak worden ingezet om opstanden in Sukhothai te onderdrukken of ten strijde te trekken tegen Chiang Mai, waar fel verzet werd gepleegd tegen de uitbreiding van Ayutthaya. Uiteindelijk onderwierp Ayutthaya het grondgebied dat tot Sukhothai had behoord. Een jaar na het overlijden van Ramathibodi erkende de keizer van de nieuw gevestigde Ming-dynastie in China zijn Ramathibodi's koninkrijk als de rechtmatige opvolging van Sukhothai. Het Thaise koninkrijk was geenszins een unitaire, eengemaakte staat, maar veeleer een lappendeken van autonome vorstendommen en onderhorige provincies die trouw hadden gezworen aan de koning van Ayutthaya. Aan het hoofd van die staatjes stonden leden van de koninklijke familie van Ayutthaya, die elk over een eigen leger beschikten en ook onderling oorlog voerden. De koning moest voortdurend waakzaam blijven, want prinsen van koninklijken bloeden deinsden er niet voor terug tegen hem samen te zweren of bondgenootschappen met vijanden van Ayutthaya te smeden. Telkens als er onenigheid over de troonsopvolging ontstond, trokken prinselijke landvoogden met troepen naar de hoofdstad om hun aanspraken kracht bij te zetten. Tijdens de 15de eeuw moest Ayutthaya voortdurend optreden op het schiereiland Malaya waar de belangrijke havenstad Malakka de Thaise aanspraken op soevereiniteit betwistte. Malakka en andere Maleise staten ten zuiden van Tambralinga waren begin 15de eeuw islamitisch geworden. De islam was een symbool van de Maleise solidariteit en het verzet tegen de Thais. Ook al slaagden de Thais er niet in Malakka te onderwerpen, toch bleef Ayutthaya de winstgevende handel op het Maleise Schiereiland controleren. Chinese handelaars kochten er luxeartikelen die bestemd waren voor China.




Koninkrijk Ayutthaya
midden 15de eeuw


Koningen van de Ayutthaya-periode

Naam en/of koninklijke titel In het westen gebruikte naam Dynastie Regeerperiode
Somdet Phra Ramathibodi I (Phra Chao U-Thong) Ramathibodi U-Thong1350 - 1369
Somdet Phra Ramesuan (eerste regeerperiode) Ramesuan U-Thong1369 - 1370
Somdet Phra Borom Rachathirat I (Phra Ngao)   Suphannaphumi1370 - 1388
Phra Chao Thong Lan   Suphannaphumi1388 (7 dagen)
Somdet Phra Ramesuan (tweede regeerperiode) Ramesuan U-Thong1388 - 1395
Somdet Phra Rama Rachathirat   U-Thong1395 - 1409
Somdet Phra Nakhon Inthrathirat (Phra Inthracha)   Suphannaphumi1409 - 1424
Somdet Phra Borom Rachathirat II (C. S. Phraya)   Suphannaphumi1424 - 1448
Somdet Phra Borom Trailohkanat Trailok Suphannaphumi1448 - 1488
Somdet Phra Borom Rachathirat III   Suphannaphumi1488 - 1491
Somdet Phra Ramathibodi II (Phra Settathirat)   Suphannaphumi1491 - 1529
Somdet Phra Borom Rachathirat IV   Suphannaphumi1529 - 1533
Somdet Phra Rattathi Rachakuman   Suphannaphumi1533 (5 maanden)
Somdet Phra Chai Rachathirat   Suphannaphumi1534 - 1546
Somdet Phra Yod Fah   Suphannaphumi1546 - 1548
Khun Worawongsathirat   Suphannaphumi1548 (42 dagen)
Somdet Phra Mahachakraphandi   Suphannaphumi1548 - 1568
Somdet Phra Mahinthrathirat   Suphannaphumi1568 - 1569
Somdet Phra Maha Dhamma Racha   Sukhothai1569 - 1590
Somdet Phra Naresuan Maha Raj Naresuan Sukhothai1590 - 1605
Somdet Phra Ekathotsarot   Sukhothai1605 - 1610
Phra Sri Saomaht   Sukhothai1610
Somdet Phra Chao Song Dhamma   Sukhothai1610 - 1628
Somdet Phra Set Tathirat   Sukhothai1628 - 1629
Somdet Phra Athityawongse   Sukhothai1629 (28 dagen)
Somdet Phra Chao Prasat Thong   Prasat Thong1629 - 1656
Somdet Cha Fah Chai Prasat Thong1656 (4 dagen)
Somdet Phra Sri Suthammaracha   Prasat Thong1656 (2 maanden)
Somdet Phra Narai Maha RajNaraiPrasat Thong1656 - 1688
Somdet Phra Theparacha   Ban Phlu Luang1688 - 1703
Somdet Phra Sanphet VIII (Phra Chao Seua)   Ban Phlu Luang1703 - 1708
Somdet Phra Chao Yoo Hua Thai Sra   Ban Phlu Luang1708 - 1733
Somdet Phra Chao Yoo Hua Borommakoht   Ban Phlu Luang1733 - 1758
Somdet Phra Chao Yoo Hua Uthomphorn   Ban Phlu Luang1758 (2 maanden)
Somdet Phra Chao Yoo Hua (Phra Thinang Suriyat)   Ban Phlu Luang1758 - 1767



1.2.1. Thaise koningen

De Thaise vorsten waren absolute heersers. Hun koningschap gold zelfs deels als religieus en ze putten hun autoriteit uit de ideale eigenschappen die hun werden toegeschreven. De koning was een moreel voorbeeld. Hij verpersoonlijkte de deugden van zijn volk en in zijn land heersten vrede en voorspoed dankzij zijn verdienstelijke daden. Naar verluidt luisterde Ramkhamhaeng in Sukhothai naar elke onderdaan die een speciaal voor dat doel aan de paleispoort opgehangen bel luidde en hij werd door zijn volk als een vader vereerd. Toch verdwenen de vaderlijke aspecten van het koningschap in Ayutthaya, want de monarchie verschool zich daarin beïnvloed door de Khmer-traditie achter een muur van taboes en rituelen. De koning werd beschouwd als chakkraphat, het Sanskriet-Pali-woord voor de universele prins die het wiel laat draaien en dankzij zijn toewijding aan de wet de hele wereld rondom hem laat ronddraaien. Naar analogie met de Hindoe-god Shiva, die heerser van het universum was, werd de Thaise koning de heerser van het land, die zich in voorkomen en optreden onmiskenbaar van zijn onderdanen onderscheidde. De etikette aan het Thaise hof was heel uitgebreid en voor het aanspreken van leden van het hof en de communicatie over het koninghuis gebruikte men zelfs een een eigen taal, het phasa ratchasap. Als devaraja (Sanskriet-begrip voor goddelijke koning) werd de koning uiteindelijk zelfs beschouwd als een aardse incarnatie van Shiva. Hij werd het voorwerp van een politiek-religieuze cultus die werd beoefend door een heel korps koninklijke brahmanen die deel uitmaakten van het boeddhistische gevolg aan het hof. Uit boeddhistisch perspectief was de devaraja een bodhisattva (een verlichte mens die uit medelijden afziet van het nirwana om andere mensen te helpen). Het geloof in een goddelijke koning bleef overeind tot in de 18de eeuw, ook al waren de religieuze voortvloeisels daarvan erg beperkt geworden. Een van de vele institutionele vernieuwingen van koning Trailok (1448-1488) bestond in de instelling van de uparaja of rechtmatige troonopvolger. De uparaja was gewoonlijk de oudste zoon of volle broer van de koning. Op die manier wilde koning Trailok definitief de troonopvolging regelen, iets wat in een polygame dynastie altijd weer een uiterst lastige onderneming was.


1.2.2. Sociale en politieke ontwikkelingen

De koning stond aan de top van een sterk gelaagde en sociale en politieke hiërarchie die zich over de hele samenleving uitstrekte. De basiseenheid van de sociale organisatie in de Ayutthayaanse samenleving werd gevormd door de dorpsgemeenschap, die uit vele grote families bestond. Gewoonlijk werden gemeenschappelijke projecten geleid door verkozen dorpshoofden. De gronden waren in het bezit van het dorpshoofd die ze in naam van de gemeenschap in beheer had. Sommige boeren bezitten eveneens grond, zolang ze die maar bleven bewerken. Er was voldoende land beschikbaar voor de landbouw, daarom kong de staat alleen maar overleven als hij over voldoende mankracht voor de landbouw en de eigen defensie kon beschikken. Door de sterke expansie van Ayutthaya was er altijd wel ergens een plek waar oorlog werd gevoerd. Omdat geen enkele van de oorlogsvoerende partijen een technologische voorsprong had, besliste doorgaans de grootte van het leger wie uiteindelijk de strijd won. Na elke overwinning deporteerde Ayutthaya een deel van de veroverde bevolking naar zijn eigen grondgebied. Daar werden die mensen geassimileerd en als werkkrachten ingezet. Elke vrije burger moest zich bij de lokale heer of nai opgeven als dienaar of phrai op wie de rijksambtenaar aan wie de burger toegewezen was, een beroep kon doen voor de militaire dienst en als werkkracht voor openbare werken. De phrai kon zijn gedwongen inzet als arbeidskracht ook afkopen met een belasting. Als hij opzag tegen de gedwongen arbeid onder zijn nai, kon hij zich als slaaf verkopen aan een nai die hij beter vond. Die betaalde dan op zijn beurt een taks aan de overheid ter compensatie van de verloren arbeidskracht. Tot de 19de eeuw bestond niet minder dan een derde van alle mankracht uit phrai. Rijkdom, status en politieke invloeden waren nauw met elkaar verbonden. De koning wees rijstvelden toe aan landvoogden, militaire bevelhebbers en gerechtelijke functionarissen als beloning voor hun diensten aan de kroon. Dat gebeurde volgens het sakdina-systeem, volgens hetwelk de oppervlakte van elk aan de functionaris toegekend perceel afhing van het aantal mensen dat hij daarop aan het werk kon zetten. Het aantal arbeiders over wie een nai op die manier zeggenschap had, bepaalde zijn rijkdom en meteen ook zijn status in de hiërarchie van de nai. Helemaal bovenaan stond de koning, die over de meeste grond bezat en een beroep deed op de diensten van het grootste aantal phrai, meer bepaald de phrai luang of koninklijke dienaars, die belastingen betaalden, in het koninklijke leger dienden en arbeid verrichtten op de koninklijke landerijen. Koning Trailok stelde een definitieve toewijzing van alle percelen en phrai voor de koninklijke functionarissen van elk niveau in de hiërarchie op. Op die manier legde hij een maatschappelijke structuur vast die aanhield tot de invoering van salarissen voor openbare gezagsdragers in de 19de eeuw. Alleen Chinese burgers vielen buiten deze maatschappelijke structuur. Chinezen hoefden zich niet voor openbare arbeidstaken op te geven en konden zich vrijelijk in het koninkrijk verplaatsen en handel bedrijven. In de 16de eeuw controleerden de Chinezen de binnenlandse handel van Ayutthaya en hadden ze belangrijke posities in de overheidsadministratie en in het leger verworven. De meeste van die mannen namen een Thaise vrouw, omdat maar weinig Chinese vrouwen bereid waren China te verlaten en hun man naar Ayutthaya te vergezellen. In de 16de eeuw kende Birma een enorme opgang. De agressieve Birmaanse dynastie liep Chiang Mai en Laos onder de voet en voerde oorlog tegen de Thais. In 1569 veroverden Birmaanse troepen met de hulp van Thaise rebellen de stad Ayutthaya en voerden ze de koninklijke familie weg naar Birma. Dhammaraja (1569-1590), een Thaise landvoogd die de Birmanen had geholpen, werd als vazal in Ayutthaya geïnstalleerd. Zijn zoon, koning Naresuan (1590-1605), herstelde de Thaise onafhankelijkheid. Naresuan bond de strijd tegen de Birmanen aan tot ze in 1600 weer helemaal uit het land verdreven waren. Hij wilde te allen prijs vermijden dat opnieuw naar het voorbeeld van zijn vader verraad zou plegen. Daarom plaatste hij het openbare gezag van het land onder de rechtstreekse controle van het hof in Ayutthaya. Hij maakte een eind aan het gebruik waarbij koninklijke prinsen tot provinciebestuurders werden aangesteld en benoemde in plaats van hen gerechtelijke functionarissen die het door de koning uitgevaadigde beleid moesten uitvoeren. De koninlijke prinsen moesten in de hoofdstad blijven. Hun onderlinge machtsstrijd ging weliswaar door, maar dan aan het hofd en onder het toeziend oog van de koning. Om zijn controle over de nieuwe klasse van landvoogden te verstevigen verordende Naresuan dat alle vrije burgers die als "phrai" diensten moesten leveren, nu "phrai luang" waren, die onder het rechtstreekse gezag van de koning vielen. De koning belastte nu zijn eigen ambtenaren met het inschakelen van de vrije burgers voor openbare doeleinden. Op die manier verwierf de koning theoretisch het monopolie over alle beschikbare mankracht in zijn koninkrijk. Geleidelijk won ook de overtuiging veld dat de koning, omdat hij over de diensten van alle inwoners beschikte, meteen ook alle percelen bezitte. Ministeriële ambten en gouverneurschappen - inclusief de sakdina of erbij horende percelen - werden doorgaans overgeërfd in een handvol families, die op hun beurt vaak door huwelijkse banden met de koning waren gelieerd. De Thaise gebruikten immers vaak huwelijken om bondgenootschappen met machtige families te versterken, een gebruik dat tot in de 19de eeuw bleef bestaan. Door dat beleid had de koning vaak tientallen vrouwen. Ondanks de hervormingen van Naresuan gaf het koninklijk bestuur in de 150 jaar die volgden, geen blijk van grote doeltreffendheid. In theorie was het koninklijke gezag ook buiten het koninklijk grondbezit absoluut, maar in de praktijk bleef het door het losse burgerlijke bestuur beperkt. De invloed van het centrale overheidsapparaat begon pas eind 19de eeuw sterk toe te nemen.


1.2.3. Economische ontwikkeling

De Thais hadden nooit voedsel te kort. De boeren plantten rijst voor eigen consumptie en voor het betalen van belastingen. Wat overbleef werd gebruikt om de religieuze instellingen te onderhouden. Toch voltrok zich tussen de 13de en de 15de eeuw een opmerkelijke verandering in de Thaise rijstteelt. In de hooglanden moest het waterniveau in de terrasvormige rijstperceeltjes via een irrigatiesysteem op peil worden gehouden. Daar zaaiden de Thais glutineuze rijst (kleefrijst), die nu nog altijd het hoofdvoedsel is in Noord- en Noordoost-Thailand. In de drassige riviervlakte van de Chao Phraya verbouwden de boeren een andere, langkorrelige rijstvariëteit afkomstig uit Bengalen. Die rijstvariëteit groeide snel genoeg om mee te gaan met het stijgende waterpeil in de rijstvelden van de laaglanden. Deze nieuwe soort groeide gemakkelijk en overvloedig en zorgde voor een overschot dat in het buitenland goedkoop kon worden verkocht. Ayutthaya lag aan de zuidpunt van de riviervlakte en werd daardoor een centrum van economische bedrijvigheid. Onder koninklijk toezicht groeven dwangarbeiders kanalen waarlangs de rijst van de velden naar de schepen van de koning werd vervoerd om vervolgens naar China te worden geëxporteerd. De modderige vlakten tussen de zee en het eigenlijke vasteland, die men tot dan toe ongeschikt vond voor menselijke bewoning, werden geleidelijk drooggelegd en klaargemaakt voor de rijstteelt.


1.2.4. Contacten met het westen

In 1511 ontving Ayutthaya een diplomatiek gezantschap uit Portugal, dat eerder dat jaar Malakka veroverd had. De Portugezen waren wellicht de eerste Europeanen die het land bezochten. In 1516, vijf jaar na dat eerste contact, sloten Ayutthaya en Portugal een verdrag waarbij de Portugezen toestemming kregen in het koninkrijk handel te drijven. Een soortgelijk, in 1592 gesloten verdrag gaf de Nederlanders een bevoorrechte positie in de rijsthandel. Buitenlanders werden hartelijk ontvangen aan het hof van Narai (1657-1688), een kosmopolitische vorst die toch op zijn hoede bleef voor buitenlandse invloeden. Met Japan en Groot-Brittannië werden in de 17de eeuw belangrijke handelsbetrekkingen aangegaan. Nederlandse en Engelse handelsmaatschappijen mochten factorijen vestigen en Thaise diplomatieke gezantschappen werden naar Parijs en Den Haag gezonden. Dankzij al die betrekkingen slaagde het Thaise koningshuis er handig in de Nederlanders tegen de Engelsen en de Engelsen en Fransen tegen de Nederlanders uit te spelen en zo een te grote invloed van één enkele mogendheid te voorkomen. Toch gebruikten de Nederlanders in 1664 hun macht en dwongen ze de Thais tot toekenning van extraterritoriale rechten en een vrijere handel. Op aandringen van zijn minister van buitenlandse zaken, de Griekse avonturier Constantine Phaulkon, riep koning Narai de hulp van de Fransen in. Franse ingenieurs bouwden vestingwerken voor de Thais en ze trokken voor Narai in Lop Buri een nieuw paleis op. Franse missionarissen zorgden voor onderwijs en geneeskunde en brachten de eerste drukpers. De persoonlijke belangstelling van Lodewijk XIV werd getrokken door berichten van missionarissen die lieten uitschijnen dat koning Narai misschien tot het christendom kon worden bekeerd. De door Phaulkon aangemoedigde Franse aanwezigheid wakkerde de wrok en de achterdocht van de Thaise adel en de boeddhistische clerus echter aan. Toen bekend raakte dat de dood van Narai nakend was, vermoordde Phra Phetracha de - christelijke - troonopvolger en liet hij ook Phaulkon en een aantal missionarissen ombrengen. Door de komst van Engelse oorlogsschepen werden nog meer Europeanen vermoord. Phetracha (1688-1693) greep de macht, dreef de overblijvende buitenlanders het land uit en kondigde een periode van 150 jaar aan waarin de Thais doelbewust alle contacten met het westen afwezen.


1.2.5. Ayutthaya, einde van een tijdperk

Na een bloedige periode van dynastieke twisten begon voor Ayutthaya een tijdperk van bloei, een vrij vredige episode in het tweede kwart van de 18de eeuw. Kunst, literatuur en studie kenden een grote bloei. Ayutthaya bleef met Vietnam wedijveren om de controle over Cambodja, maar de grootste dreiging kwam van Birma, waar een nieuwe dynastie de Shan-staten had onderworpen. In 1765 vielen drie Birmaanse legers het Thaise grondgebied binnen en rukten ze naar de stad Ayutthaya op. Na een langdurig beleg capituleerde de hoofdstad en werd ze in 1767 platgebrand. De kunstschatten van Ayutthaya, de bibliotheken met de literatuur en de archieven met de historische stukken werden nagenoeg volkomen verwoest. Van de stad bleven alleen puinhopen over en in het land heerste chaos. De provincies werden tot onafhankelijke staten uitgeroepen en aan hun hoofd stonden militaire leiders, bedrieglijke monniken en jonge leden van de koninklijke familie. Toch werden de Thais gered van de Birmaanse onderwerping door een erg gelegen komende Chinese invasie van Birma en het bewind van Phraya Taksin, een half-Chinese Thaise militaire bevelhebber.


1.3. Bangkoktijdperk, 1767-1932

Net als in de 16de eeuw herpakten de Thais zich dankzij hun briljante militaire leider erg snel. Phraya Taksin (1767-1782) was uit het belegerde Ayutthaya ontsnapt. Hij schaarde een handvol volgelingen achter zich, die erg snel tot een leger uitgroeiden waarmee hij het verzet tegen de Birmaanse invallers organiseerde. Na een lange en zware oorlog wisten zij de Birmanen weer het land uit te drijven. Taksin eigende zich de titel van koning toe. Hij gaf de verwoeste stad Ayutthaya op en stichtte meer naar het zuiden in de delta een nieuwe hoofdstad in Thonburi, een versterkte stad op tegenoverliggende oever van het huidige Bangkok. Na de val van de oude hoofdstad was het Thaise koninkrijk in kleine staatjes uiteengevallen, maar in 1776 had Taksin het land weer eengemaakt en in 1774 zelfs Lan Na (Chiang Mai) ingelijfd. Taksin begon aan waanideeën te lijden en geloofde in zijn eigen goddelijkheid. Vanwege het staatsbelang werd hij door zijn ministers afgezet en terechtgesteld. Toch kreeg Taksin door zijn vele verwezenlijkingen een plaats in de lijst van Thaise nationale helden.


1.3.1. Thonburi-periode (1767-1782) en vroege Chakri-dynastie (1782-1868)

Na de dood van Phraya Taksin kwam de Thaise troon in handen van Chakri, een generaal die samen met Taksin een leidende rol in de strijd tegen de Birmaanse invallers had gespeeld. Als koning Yot Fa (Rama I, 1782-1809) stichtte hij het nu nog altijd regerende Thaise vorstenhuis en verhuisde hij het hof naar Bangkok, de moderne hoofdstad. Tijdens zijn krachtige bewind wist hij de Thaise economie weer tot bloei te brengen en herstelde hij wat na de verwoesting van Ayutthaya van het grote artistieke erfgoed overgebleven was. Aan Rama I wordt ook een nieuwe editie van de Ramakien (de Thaise versie van de Ramayana) toegeschreven. Die moest de in de brandende stand verloren gegane manuscripten van het Thaise nationale epos vervangen. In de jaren erna breidde de Thaise invloedssfeer zich verder uit, tot ergernis van de Westerse koloniale grootmachten. In 1795 namen de Thais de Cambodjaanse provincies Battambang en Siem Reap in. Gedurende de eerste helft van de volgende eeuw wisten de Chakri-koningen de Vietnamese invallen in die gebieden af te slaan. Het conflict tussen de Thais en de Vietnamezen werd uiteindelijk opgelost door de oprichting van het gemeenschappelijke protectoraat Cambodja. De Thais zagen met lede ogen hoe de Britten het Maleise Schiereiland probeerden in te palmen. Daarom eisten ze de soevereiniteit op over de staat Kedah. Als gevolg van de Brits-Birmaanse Oorlog (1824-1826) lijfde het Britse Rijk territorium in in een gebied waarover de Thais en de Birmanen al eeuwen lang hadden gekibbeld. Deze zet leidde tot de ondertekening van het Verdrag van Burney in 1826 tussen Siam en de Britten. Siam kreeg het beheer over de vier noordelijke staten op het Maleise Schiereiland, namelijk Kedah, Kelantan, Perris en Terengganu. De vier staten werden overigens niet bij de onderhandelingen over dit verdrag betrokken. Britse kooplieden kregen ook beperkte handelsconcessies in het koninkrijk Siam. In 1833 bereikten de Thais een soortgelijk akkoord met de Verenigde Staten. Op het eind van de regeerperiode van Nang Klao (Rama III, 1824-1851) kwam er een eind aan het expansionisme van de Chakri-dynastie. Schatplichtige provincies onttrokken zich meer en meer aan de controle van Bangkok en ook de westerse invloed nam toe. In 1850 wees Nang Klao Britse en Amerikaanse verzoeken af om betere handelsvoorwaarden te verkrijgen vergelijkbaar met de voorwaarden die de Westerse mogendheden met geweld van China hadden afgedwongen. Toch waren de opeenvolgende Thaise koningen minder succesvol in het beheersen van de Westerse economische invloeden in hun eigen land. Omdat de eerste Chakri-koningen elkaar eindelijk zonder bloedvergieten waren opgevolgd, kende het koninkrijk Siam een zekere politieke stabiliteit, die in de Ayutthaya-periode helemaal zoek was. Toch was er nog altijd geen regeling gevonden voor de automatische troonopvolging. Het kwam vaak voor dat er bij het overlijden van de koning geen uparaja of troonopvolger was. De Senabodi, een raad van wijzen, prinsen en boeddhistische hogere geestelijken, die bij het overlijden van de koning samenkwam, moest dan uit de koninklijke familie uit een troonopvolger aanduiden. Het was de Senabodi, die de opvolger van Nang Klao koos.


Koningen van de Thonburi-periode
Naam Dynastie Regeerperiode
Somdet Phra Thaksin Maha Raj   1770-1782


Koningen van de Rattanakosin-periode
Koninklijke titel Naam In het westen gebruikte naam Dynastie Regeerperiode
Rama I Somdet Phra Phutta Yod Fah Chulalohk Maha Raj Yot FaChakri 1782-1809
Rama II Somdet Phra Phutta Leutlahn Phalai Loet LaChakri 1809-1824
Rama III Somdet Phra Nang Klao Chao Yoo Hua Nang KlaoChakir 1824-1851
Rama IV Somdet Phra Jom Klao Chao Yoo Hua MongkutChakri 1851-1868
Rama V Somdet Phra Chula Jom Klao Chao Yoo Hua ChulalongkornChakri 1868-1910
Rama VI Somdet Phra Monkut Klao Chao Yoo Hua VajiravudhChakri 1910-1925
Rama VII Somdet Phra Pok Klao Chao Yoo Hua PrajadhipokChakri 1925-1934
Rama VIII Somdet Phra Pramensamaha Ananta Mahidon Ananda MahidolChakri 1934-1946
Rama IX Somdet Phra Praminsamaha Phumiphon Adunyadet Bhumibol AdulyadeiChakri1946-



1.3.2. Mongkuts toenadering tot het westen

Nang Klao overleed in 1851 en werd opgevolgd door zijn 47-jarige halfbroer Mongkut (Rama IV, 1851-1868). Mongkuts vader, Loet La (Rama II, 1809-1824), had hem in 1824 in een boeddhistisch klooster ondergebracht om een bloedig gevecht om de troonsopvolging te vermijden tussen facties die trouw waren aan Mongkut en zij die Nang Klao steunden. Loet La deed dit, ook al was Nang Klao ouder dan Mongkut en was zijn moeder een concubine, terwijl Mongkuts moeder een gemalin van de koning was. Als boeddhistische monnik werd Mongkut een autoriteit op het domein van de boeddhistische Pali-geschriften en kwam hij aan het hoofd van een hervormde orde van de Siamese sangha te staan. In de loop der eeuwen was het Thaise boeddhisme met bijgeloof doorspekt geraakt. Mongkut probeerde de staatsgodsdienst van die uitwassen te ontdoen en de oorspronkelijke leer van de Boeddha te herstellen. Door zijn 27 jaar durend monnikschap werd Mongkut niet alleen een religieuze figuur met een zeker aanzien, hij werd ook aan veel buitenlandse invloeden blootgesteld. Hij was leergierig en nieuwsgierig naar wat zich in de wereld buiten Siam afspeelde. Daardoor onderhield hij contacten met Franse katholieken en protestantse zendelingen uit de Verenigde Staten. Hij studeerde westerse talen (Latijn en Engels), natuurwetenschappen en wiskunde. Door uitgebreide gesprekken met de missionarissen en zendelingen werd hij ruimdenkend en dat beïnvloedde zijn beleid, toen hij in 1851 koning van Siam werd. Hij was beter op de hoogte van en kon beter overweg met westerse opvattingen dan eender welke Thaise monarch voor hem. Mongkut was ervan overtuigd dat zijn koninkrijk volwaardige betrekkingen met de westerse landen moest onderhouden. Alleen zo kon Siam als onafhankelijke natie overleven en die vernederingen vermijden die China en Birma in oorlogen met het Britse Rijk hadden ondergaan. Tegen het advies van zijn hofhouding in schafte hij het oude koninklijke handelsmonopolie op grondstoffen af. In 1855 ondertekende hij het Vriendschaps- en Handelsverdrag met het Britse Rijk. Dit verdrag, waarnaar vaak als Bowring-verdrag wordt verwezen, werd voor de Britten ondertekend door sir John Bowring, de gouverneur van Hongkong. Krachtens dat verdrag mochten Britse kooplieden nu zonder tussenpersonen in Siam handel drijven. Er werd een Brits consulaat opgericht en aan Britse staatsburgers werd extraterritorialiteit verleend. Het jaar erop werden soortgelijke overeenkomsten afgesloten met de Verenigde Staten en Frankrijk en in de vijftien jaar erna met nog een aantal Europese landen. Die akkoorden zorgden niet alleen voor vrijhandel maar beperkten ook de bevoegdheid van de Siamese overheid om belastingen te heffen op buitenlandse ondernemingen. De uitschakeling van die handelsbelemmeringen leidde tot een enorme toename van de handel met het westen. Die bracht op haar beurt een radicale verandering teweeg in de Thaise economie en daardoor maakte Siam nu ook deel uit van het internationaal monetair systeem. De eis om extraterritoriale privileges overtuigde de koning er ook van dat Siam zijn juridische en administratieve systemen moest hervormen, als het door de westerse mogendheden als gelijke wilde worden behandeld. Ook al kwam er van een ver doorgedreven modernisering tijdens de regeerperiode van Mongkut uiteindelijk niet zo veel in huis, toch slaagde hij erin het oude aura van de koning als goddelijk personage wat te verminderen, want de gewone burger mocht de koning weer aankijken, er werd een koninklijke courant met de wetten van het land gepubliceerd en de koning deed een beroep op een aantal westerse deskundigen als raadgever, leraar en technicus. Al lang bestaande instellingen zoals de slavernij bleven nagenoeg onaangeroerd en het politieke systeem werd nog altijd door de grote families beheerst. Aan het hof behielden de conservatieven hun overwicht en het overlijden van Mongkut in 1868 schortte de geplande hervormingsprojecten op.


1.3.3. Hervormingen van Chulalongkorn

Na de dood van Mongkut volgde zijn op dat ogenblik nog minderjarige oudste zoon, Chulalongkorn (Rama V, 1868-1910), hem op. Chulalongkorn had onderwijs gekregen van Europese privé-leraars. Tijdens het regentschap in afwachting van zijn meerderjarigheid bezocht de jonge koning Java en India, waar hij getuige was van het Europese koloniale bestuur. Chulalongkorn was de eerste Chakri-koning die het land verliet. Bij zijn kroning in 1873 kondigde hij de afschaffing af van het oude gebruik zich voor de koning op de grond te werpen. Dat gebruik paste niet meer in een modern land, vond hij. Hij vaardigde daarna nog een aantal hervormingen uit bedoeld om het rechterlijk systeem, de overheidsfinanciën en de politieke structuren te hervormen. Die hervormingen lokten in december 1874 een conservatieve opstand aangevoerd door prins Wichaichan uit. Ook al wist Chulalongkorn die opstand te onderdrukken, toch moest hij van zijn "radicalisme" afzien en zijn hervormingen voorzichtiger doorvoeren. Het duurde dan ook meer dan tien jaar voor de koning en zijn bondgenoten diepgaandere veranderingen konden decreteren. Een van de meest verreikende van die hervormingen was de afschaffing van slavernij en arbeid als phrai. De slavernij werd geleidelijk afgeschaft zodat er voldoende tijd bleef voor sociale en economische aanpassingen. Pas in 1905 behoorde de slavernij in Siam definitief tot het verleden. Door de invoering van een hoofdelijke belasting die in geld moesten worden betaald en een regulier leger dat bestond uit dienstplichtigen, verloor de verplichte arbeid voor de overheid grotendeels zijn nut. Betaald werk, dat vaak door Chinese immigranten werd gepresteerd, bleek efficiënter voor de openbare werken. Door de invoering van salarissen voor ambtenaren werd ook de sakdina overbodig. Al die hervormingen zorgden voor een grote omwenteling in de Thaise samenleving. In 1887 vroeg de koning aan Devawongse, een van zijn prinsen, een studie te maken over de Europese regeringsvormen en over hoe Europese instellingen succesvol in Siam konden worden ingevoerd. Het jaar erop kwam de prins met een voorstel voor een Siamees regeringskabinet bestaande uit twaalf verschillende ministeries. De koning keurde het plan weliswaar goed, maar het duurde nog meerdere jaren voor het volledig in de praktijk kon worden omgezet. In 1893 startte prins Damrong Rajanubhab, de minister van binnenlandse zaken, een volledige doorlichting van Siams verouderde provinciale bestuur. Het oude semi-feodale systeem in de buitenprovincies werd geleidelijk vervangen door een gecentraliseerd staatsbestuur. Onder Damrong werd het ministerie van binnenlandse zaken heel machtig en het speelde een centrale rol bij de nationale eenmaking. Onder meer de aan het hof van Chulalongkorn verbonden Gentse professor en jurist Gustave Rolin Jaequemyns (Thaise naam: Chao Phraya Aphai Raja) en zijn Belgische juridische adviseurs - onder wie Émile Jottrand - leverden een wezenlijke bijdrage tot de totstandkoming van een "moderne" Thaise grondwet, gebaseerd op de progressieve Belgische grondwet. In 1868 sloten het Koninkrijk België en het Koninkrijk Siam trouwens een eerste bilateraal verdrag, het Vriendschaps- en Handelsverdrag. Krachtens dit verdrag werd in 1883 de eerste Thaise ambassadeur, prins Prisdang, in Brussel geaccrediteerd. In 2008 viert men 125 jaar Thaise diplomatieke aanwezigheid in Brussel. In 2004 vierde men in Bangkok overigens al het 100-jarige jubileum van de Belgische diplomatieke aanwezigheid in Thailand, die eveneens het gevolg was van het verdrag tussen beide staten. In 1897 bracht Chulalongkorn een bezoek aan België. In 1908 werden de Thaise satang-muntstukken door de Belgische Munt geslagen. Chulalongkorn haalde naast Belgen ook Italianen (cartografen en leraars) en Denen (marine-instructeurs) naar Thailand. Net als zijn vader wist Chulalongkorn hoe belangrijk goed onderwijs is. Hij richtte drie op Europese leest geschoeide scholen op voor de kinderen van de koninklijke familie en regeringsfunctionarissen, onder meer een meisjesschool. Gespecialiseerde scholen werden met regeringsdiensten verbonden en belast met de opleiding van ambtenaren. Studeren in het buitenland werd aangemoedigd en veelbelovende ambtenaren en legerofficieren werden naar Europa gezonden om daar voort te studeren. In 1891 trok prins Damrong naar Europa om er de moderne onderwijssystemen te bestuderen. Na zijn terugkeer kwam hij aan het hoofd te staan van het nieuwe ministerie van openbaar onderwijs. Een jaar later moest hij echter ook de functie van minister van binnenlandse zaken opnemen. Tijdens de regeerperiode van Chulalongkorn werden de eerste Thaise spoorlijnen aangelegd en in 1897 werd een spoorverbinding tussen Bangkok en Ayutthaya voltooid. De lijn werd verder naar het noorden doorgetrokken, naar Lopburi in 1901 en naar Sawankhalok in 1909. Een spoorlijn naar Phetchaburi was in 1903 klaar en werd uiteindelijk zelfs verbonden met de Britse spoorlijnen op het Maleise Schiereiland.


1.3.4. Crisis van 1893

Het oprukken van Groot-Brittannië en Frankrijk, de twee agressiefste Europese mogendheden in de regio, vormde een ernstige bedreiging voor Siam in de laatste jaren van de 19de eeuw. In het westen van Siam veroverden de Britten uiteindelijk heel Birma in 1885 door de inlijving van Opper-Birma en de gedwongen troonsafstand van Thibaw, de laatste koning van Birma. In het zuiden hadden de Britten de belangrijkste moslimstaten op het Maleise Schiereiland onderworpen. Meer nog dan het Britse Rijk vormde Frankrijk een bedreiging voor de Siamese onafhankelijkheid. De Fransen bezetten Cochinchina (zuidelijk Vietnam, rond de Mekong-delta) in 1863. Van daaruit breidden ze hun invloed uit tot in Cambodja, een gebied dat Vietnam en Siam elkaar al lang betwistten. Frankrijk nam de traditionele belangen van Vietnam over en onder Franse dwang stemde de Cambodjaanse koning, Norodom, erin toe dat Cambodja een Frans protectoraat werd. Vier jaar later deed Siam formeel afstand van zijn claim op Cambodja in ruil voor de Franse erkenning van de Siamese soevereiniteit in de Cambodjaanse provincies Siem Reap en Battambang. De Fransen droomden ervan hun Britse rivalen te verschalken door via de Mekong-vallei een handelsroute naar de vermoede rijkdommen in Zuidwest-China uit te bouwen. Dit leek mogelijk zodra Frankrijk in de jaren 1880 de volledige controle over Vietnam had verworven. Sleutels voor de Franse droom waren de kleine Laotiaanse koninkrijken die onder Siamese heerschappij stonden. De Fransen eisten die gebieden op met het argument dat territoria die vroeger onder Vietnamese controle stonden, nu de Fransen, de nieuwe heersers over Vietnam, toekwamen. Auguste Pavie, de Franse vice-consul in Luang Prabang in 1886, was de ferventste voorvechter van de Franse belangen in Laos. Hij maakte gebruik van de zwakke Siamese positie in de regio en de herhaalde invallen van Chinese rebellen uit de provincie Yunnan. Met zijn intriges zorgde hij voor toenemende spanningen tussen Bangkok en Parijs. Toen in april 1893 in Laos uiteindelijk gevechten uitbraken tussen Fransen en Siamese troepen, stuurden de Fransen kanonneerboten om een blokkade van Bangkok te organiseren. Noodgedwongen stemden de Siamezen in met de afstand van hun Laotiaanse territoria. De Britten legden zich neer bij het Franse expansionisme en tekenden in 1896 met de Fransen een verdrag waarin een grens tussen het Franse territorium in Laos en het Britse territorium in Opper-Birma werd erkend. Toch bleven de Fransen verder Siam onder druk zetten. In 1907 werd Chulalongkorn gedwongen Battambang en Siem Reap aan het door de Fransen bezette Cambodia af te staan. De Thaise inwoners van die gebieden hadden de Thaise koning vaak om steun gevraagd, omdat zij in Cambodja een minderheid vormde. In 1912 liet Siam zijn aanspraken op de noordelijke Maleise staten Kelantan, Trengganu, Kedah en Perlis ten gunste van de Britten varen in ruil voor jurisdictie over Britse onderdanen in het Siamese koninkrijk en een aanzienlijke Britse lening voor de aanleg van spoorwegen. Siam had heel veel grondgebied moeten inleveren. Toch kon het zijn onafhankelijkheid behouden als nuttige en vrij stabiele bufferstaat tussen de Fransen en Britse koloniale gebieden. Terwijl de regeerperiode van Chulalongkorn door moderniseringen werd gekenmerkt, werd het bewind van zijn zoon, Vajiravudh, door een verhevigd nationalisme gekarakteriseerd. Koning Vajiravudh schreef veel over nationalistische thema's. Hij zorgde ook voor de oprichting en de financiering van het Korps der Wilde Tijgers, een privé-militie waarmee hij de nationalistische gevoelens wilde aanwakkeren. Anti-Chinese gevoelens kenschetsten het Thaise nationalisme in alle geledingen van de samenleving. Eeuwenlang hadden leden van de Chinese gemeenschap immers de binnenlandse handel gedomineerd en had men hen als agenten voor het de koninklijke handelsmonopolie ingezet. Door de toenemende Europese economische invloed waren veel Chinese ondernemers overgeschakeld op de opiumhandel en de inning van belastingen, allebei geminachte beroepen. Bovendien verweet men Chinese molenaars en rijstmakelaars de economische recessie die Siam na 1905 bijna tien jaar teisterde. Omkoping van hoge ambtenaren, oorlogen tussen de geheime Chinese genootschappen en de hardvochtige praktijken voor de inning van belastingen droegen allemaal bij tot een verhevigde Thais ressentiment tegen de Chinese gemeenschap, toen die door de toegenomen immigratie uit China snel groeide. In 1910 bestond bijna 10 percent van de Thaise bevolking uit etnische Chinezen. De vroegere Chinese inwijkelingen trouwden vaak met Thais, maar de nieuwkomers arriveerden vaak met hun hele familie in Thailand en waren niet geneigd zich in de Thaise samenleving te integreren. Parallel met het Thaise nationalisme ontwikkelde zich ook het Chinese nationalisme, mede aangemoedigd door Sun Yat-sen, de leider van de Chinese revolutie. De Chinese gemeenschap organiseerde zelfs eigen scholen voor de Chinese kinderen. Wetgeving in 1909 verplichtte het aannemen van een familienaam maar was eigenlijk vooral gericht tegen de Chinese gemeenschap. Thaise Chinezen moesten nu kiezen tussen afstand doen van hun Chinese identiteit of het aannemen van het vreemdelingenstatuut. Velen onder hen kozen ervoor om toch Thai te worden, zij het dan alleen in naam. Zij die daarvoor bedankten, raakten nog meer van de Thaise samenleving vervreemd. Tot ontsteltenis van zijn raadgevers, die nog altijd gebukt gingen onder het territoriumverlies van Siam aan Frankrijk, verklaarde Vajiravudh op 22 juli 1917 aan Duitsland de oorlog en sleepte hij op die manier Siam mee in de Eerste Wereldoorlog. Siam koos de kant van de geallieerden en zond een symbolisch expeditielegertje naar het westelijke front. De 1250 Siamese soldaten gingen in Duinkerken aan land. Ze werden vooral als arbeiders ingezet, iets wat de Siamese soldaten niet beviel. Door die - weliswaar heel beperkte - oorlogsinspanning kon Siam op het eind van de oorlog gunstige wijzigingen in zijn verdragen met Frankrijk en Groot-Brittannië bereiken. De Verenigde Staten hadden inmiddels hun aanspraken op gebied in Zuidoost-Azië laten varen. Een andere meevaller waren de geconfisqueerde Duitse schapen, die Siam aan zijn eigen koopvaardijvloot mocht toevoegen. Siam nam deel aan de vredesonderhandelingen en ondertekende mee het Verdrag van Versailles in 1919. Siam was ook een van de stichtende leden van de Volkenbond, die bij het tekenen van dit verdrag werd opgericht. Siam was een van de financiers van het Intergeallieerd Oorlogsmomument in Luik, waarvan de bouw in 1928 op de heuvel van Cointe begon. De Internationale Federatie van Oudstrijders had tijdens haar in Rome in 1925 Luik voor de locatie van dit monument uitgekozen. Op 20 juli 1937 werd het door de Antwerpse architect Jozef Smolderen ontworpen monument in aanwezigheid van koning Leopold III ingehuldigd.




Siam in 1900








Vroegere grenzen en verloren gebieden van Siam

Kayah. Opgeëist door het Britse Rijk in 1892.
Gedemilitariseerde zone van 25 km, 1892.
Afgestaan aan Siam in 1904.
Westelijke oever van Luang Prabang.
Grotendeels in de gedemilitariseerde zone.
Opgeëist door Frankrijk in 1904.
Champasak, onderhorigheid van Siam.
Grotendeels in de gedemilitariseerde zone.
Opgeëist door Frankrijk in 1904.
Battambang, Siam Reap, Sisophon.
Onderhorigheden van Siam.
Afgestaan aan Frankrijk in 1907.
Chanthaburi. Ingenomen door Frankrijk in 1893.
Afgestaan aan Siam in 1904.
Perlis, Kedah, Kelantan, Trengganu.
Onderhorigheden van Siam.
Afgestaan aan het Britse Rijk in 1909.



1.4. Begin van de Grondwettelijke Periode

In het begin van zijn regeerperiode leek koning Prajadhipok (Rama VII, 1925-1935) bereid de verantwoordelijkheid voor de politiek besluitvorming met zijn ministers te delen. Hij stelde ook een adviesraad in die de mogelijkheid van een Thaise grondwet moest onderzoeken, maar de royalistische raadsleden spraken zich tegen een dergelijke grondwet in. Toch vond de ambtenarij de tijd rijp voor een dergelijke stap. Door de internationale economische malaise en de daarmee gepaard gaande sterke daling van de rijstprijzen had Siam met ernstige economische problemen te kampen. Het ongenoegen bij de politieke elite groeide toen er op de overheidsuitgaven werd bezuinigd. Die besparingen leidden tot verregaande inkrimping van het ambtenarenapparaat en het legerpersoneel, de verlaging in rang van anderen en de schrapping van overheidsprojecten.


1.4.1. Staatsgreep van 1932

Aan de lange periode van absolute monarchie kwam een abrupt eind tijdens de geweldloze staatsgreep van een groep ambtenaren en legerofficieren met steun van legereenheden uit de regio Bangkok op 24 juni 1932. De coup was met name gericht tegen ministers in de conservatieve regering, niet tegen de koning zelf. Drie dagen na de coup kondigde een militaire junta een nieuwe, voorlopige grondwet af die door Pridi Phanomyong, een jonge professor rechten, opgesteld werd. Prajadhipok legde zich neer bij de situatie. Ze hadden hem zijn politieke macht ontnomen, maar het prestige van de monarchie was in principe onaangetast gebleven. De als "promotors" bekend staande coupleiders vertegenwoordigden de jonge generatie van de westers georiënteerde politieke elite die opgeleid was om als instrument te fungeren van de absolute monarchie, een instituut dat zij intussen verouderd en ongeschikt voor de moderne manier van regeren vonden. de hoofdrolspelers van de staatsgrepen noemden zichzelf nationalisten en niemand van hen stelde het instituut monarchie in vraag. Onder hen bevonden zich de personages die in de komende dertig jaar een belangrijke rol in de Thaise politiek zouden spelen. Pridi, een van de toonaangevende intellectuelen van het land, was de invloedrijkste burgerlijke "promotor". Zijn belangrijkste rivaal bij de overige promotors was Phibun of Luang Plack Phibunsongkhram, een ambitieuze legerofficier die het later nog tot veldmaarschalk schopte. Phahon of Phraya Phahonphonphayuhasena, de meest hooggeplaatste van de groep, vertegenwoordigde conservatieve legerofficieren die misnoegd waren over besparingen in de defensie-uitgaven. De drie mannen oefenden samen de macht uit als leden van het Commissariaat van het Volk, een kabinet dat door de Nationale Vergadering verkozen was, nadat die kort na de staatsgreep door de "promotors" bijeengeroepen was. Om ook de andere conservatieven tevreden te stellen werd Phraya Manopakorn, een gepensioneerde jurist, tot premier aangesteld. Voor eind 1932 werd een definitieve grondwet afgekondigd. Die grondwet voorzag in een quasi-parlementair eenkamerstelsel waarin de uitvoerende macht berustte bij een Nationale Vergadering. De helft van de parlementsleden werd via een beperkte stemming verkozen, de andere door de regering. Volgens de grondwet werd de volledige wetgevende macht verkozen, wanneer de helft van het kiezerskorps vier jaar onderwijs had genoten respectievelijk na het verstrijken van een termijn van tien jaar. De Nationale Vergadering keurde de begroting goed en kon een koninklijk veto teniet doen. Toch behielden de "promotors" de echte macht en oefenden ze die met steun van het leger uit via hun politieke organisatie, de Volkspartij. In de rangen van de "promotors" ontstond al vlug een breuk tussen burgers en legerofficieren. Pridi, de minister van financiën, stelde in 1933 een radicaal economisch plan voor. Hij riep op de natuurlijke rijkdommen te nationaliseren. Manopakorn en de conservatievere militaire kabinetsleden vonden dat plan onaanvaardbaar. Pridi genoot de steun van de Nationale Vergadering, maar die werd door de premier naar huis gestuurd. Manopakorn regeerde van dan af per decreet. Pridi werd ervan beschuldigd dat hij een communist was en hij vluchtte naar het buitenland. Legerofficieren die zich verzetten tegen deze zet van de premier pleegden op hun beurt een staatsgreep in juni 1933. Ze zetten Pridi af, stelden opnieuw de Nationale Vergadering in en vormden een nieuwe regering, geleid door Phahon. Pridi kreeg toestemming om naar Bangkok terug te keren en werd daarna vrijgesproken van alle beschuldigingen. Naast een kliekjesmentaliteit in de regering werd het kabinet ook geconfronteerd met een ernstige royalistische revolte in oktober 1933. De leider van die opstand was prins Boworadet, een neef van de koning en minister van defensie in het oude regime. Ook al steunde de koning de prins niet, toch verslechterden daarna de relaties tussen Prajadhipok en de politieke leiders. In november 1933 vonden de eerste parlementaire verkiezingen in de Thaise geschiedenis plaats. Minder dan 10 percent van de stemgerechtigden bracht hun stem uit, maar toch bevestigden zij de populariteit van Pridi. Pridi en zijn burgers-medestanders in de linkervleugel van de Volkspartij moesten het tegen de militaire kliek rond zijn rivaal, Phibun, opnemen. In 1934 werd Phibun tot minister van defensie benoemd en gebruikte hij zijn ministeriële macht om zijn politieke invloed in het leger uit te breiden. Hij ijverde voor een sterkere militaire orde om het land uit buitenlandse handen te houden en nam elke gelegenheid te baat om aan te tonen dat de militaire administratie superieur was vergeleken bij het burgerlijke ambtenarenapparaat. Premier Phahon moest in de regering zorgen voor een moeilijk evenwicht tussen de aanhangers van Pridi en Phibun. De conservatieve burgerlijke ministers waren tijdens het regime van Manopakorn en door de steun van sommigen onder hen voor de royalistische revolte in diskrediet geraakt. Door hun afgenomen invloed had de koning ook minder politieke bondgenoten in de regering. In maart 1935 deed koning Prajadhipok troonsafstand zonder een opvolger aan te duiden. Hij wilde zijn oude dag in Groot-Brittannië doorbrengen, misnoegd als hij was over het zogenaamde machtsmisbruik van de regering Phahon, omdat die zijn koninklijke veto had beknot. Ananda Mahidol (Rama VIII, 1935-1946), een tienjarig neefje, zat in Zwitserland op school en werd tot troonsopvolger benoemd. Er werd een regentschapsraad, waarvan ook Pridi deel uitmaakte, aangesteld. Die moest de grondwettelijke bevoegdheden van de monarchie waarnemen. Pas in 1945 keerde de nieuwe koning naar zijn land terug.


1.4.2. Phibun en het nationalistische regime

De "promotors" - zowel burgers als militairen - hadden hun politieke beweging een nationalistisch stempel opgeplakt, maar de enige overeenstemming bestond erin dat ze de officiële ideologie aanvaardden. Voor de stabiliteit van een regering is samenwerking onmisbaar, maar toch verslechterden de burgerlijke en militaire klieken toen almaar meer belangrijke overheidsfuncties door militairen werden ingenomen. Phahon merkte dat een militair bestuur op de duur onafwendbaar was en nam in december 1938 ontslag als premier. Phibun volgde hem op en zijn rivaal, Pridi, werd minister van financiën. De regering Phibun verkocht het nationalisme aan de bevolking en maakte daarbij gebruik van de propagandamethoden van autoritaire regimes in Europa. Nationalisme werd gelijkgesteld met verwestersing. Om de wereld duidelijk maakte - zo stelde Phibun woordelijk - dat het land aan de Thais toebehoorde, werd de naam van het land officieel veranderd in Muang Thai, het Land van de Vrijen, of Thailand. Datzelfde jaar lanceerde Pridi zijn economisch plan Thailand voor de Thais. Hij hief zware belastingen op bedrijven die in buitenlandse (grotendeels Chinese) handen waren en bood tegelijk overheidssubsidies aan ondernemingen die in Thaise handen waren. De regering moedigde de Thais aan Europese gebruiken over te nemen en decreteerde bijvoorbeeld dat men in het openbaar schoenen en een hoed moest dragen. Het kauwen van betel werd verboden, opiumverslaafden werden vervolgd en - als ze Chinees waren - het land uitgezet. Ook al stond het Thaise nationalisme gelijk met verwestersing, toch was het niet pro-westers, politiek noch cultureel. Thaise christenen, vooral in overheidsdienst, en moslims werden officieel gediscrimineerd. Uit regeringsmededelingen werd overduidelijk dat alleen boeddhisten goede Thaise patriotten konden zijn. Het Thaise nationalisme was in de kern trouwens ook anti-Chinees. Er werden maatregelen afgekondigd om de Chinese immigratie te controleren en veel beroepen voor Thais te reserveren die vroeger overwegend door Chinezen werden uitgeoefend. Het nationalistische bewind van Phibun rakelde ook weer oude eisen tot hereniging van bepaalde gebieden met het Thaise moederland op. Men eiste de teruggave van voormalige Thaise territoria in Cambodja en Laos en wakkerde op die manier de anti-Franse gevoelens aan. Phibun ijverde voor nauwere banden met Japan en zocht op die manier steun tegen Frankrijk. De Thaise nationalisten zagen in Japan de Aziatische modelstaat die westerse methoden en technologie gebruikte om het land heel snel te moderniseren. Thailand nam het op tegen de Fransen in Indochina en zagen dat Japan het enige Aziatische land was dat met succes de Europese grootmachten uitdaagde. De Thais waren unaniem voor de teruggave van verloren provincies, maar toch was Phibuns enthousiasme voor de Japanners beduidend groter dan die van Pridi. Veel "oude" conservatieven keken met argusogen naar het buitenlands beleid van de premier.


1.4.3. Tweede Wereldoorlog

Thailand reageerde pragmatisch op de militaire en politieke gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen het eind 1940, begin 1941 hier en daar tot gevechten kwam tussen Thaise en Franse troepen langs de Thaise oostelijke landsgrens, gebruikte Japan zijn invloed bij het Vichy-regime in Frankrijk om voor Thailand concessies te bepleiten. Als gevolg daarvan gaf Frankrijk in maart 1941 een gebied van 54.000 vierkante kilometer in Laos en het grootste deel van de Cambodjaanse provincie Battambang aan Thailand terug. De terugwinning van dit verloren territorium en de duidelijke overwinning van het regime op een Europese koloniale grootmacht versterkten Phibuns reputatie aanzienlijk. Maar op 8 december 1941 moest Thailand na urenlange gevechten tussen Thaise en Japanse troepen in Chumphon op de Landengte van Kra instemmen met de Japanse eisen voor een vrije doorgang voor de Japanse troepen die Birma en Malaya binnenvielen. Phibun verzekerde de bevolking dat die Japanse actie vooraf was overeengekomen met welwillende Thaise regering. Later in december 1941 ondertekende Phibun een wederzijds defensiepact met de Japanners. Uit protest nam Pridi ontslag, maar hij nam meteen de apolitieke functie van regent voor de afwezige koning Ananda Mahidol op. Thailand was Japan, een andere Aziatische staat, gunstiger gezind dan de Britse en vooral Franse koloniale mogendheden, want daar had Thailand alleen maar last van ondervonden. Onder druk van Japan verklaarde de regering Phibun uiteindelijk de oorlog aan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in januari 1942. Seni Pramoj, de Thaise ambassadeur in Washington, weigerde echter de oorlogsverklaring aan de Amerikaanse regering te overhandigen. Daardoor verklaarden de Verenigde Staten niet de oorlog aan Thailand. Seni was een conservatieve aristocraat met gevestigde anti-Japanse geloofsbrieven. Met Amerikaanse steun organiseerde hij de Free Thai Movement (Beweging van Vrije Thais) en recruteerde hij in de Verenigde Staten Thaise studenten voor de Amerikaanse geheime dienst, het United States Office of Strategic Services (OSS). Het OSS leidde Thais op voor ondergrondse activiteiten en Thaise eenheden werden klaargestoomd om in Thailand te infiltreren. Als regent van Thailand stond Pridi aan het hoofd van een clandestiene organisatie die op het eind van de oorlog met geallieerde steun meer dan 50.000 Thaise verzetslieden had bewapend. Thailand werd voor Phibuns nauwe samenwerking met het Japanse Rijk in de beginjaren van de oorlog beloond met de teruggave van nog meer grondgebied dat ooit door Bangkok werd gecontroleerd, inclusief delen van de Shan-staten in Birma en de vier noordelijkste staten op het Maleise Schiereiland. Japan had intussen 150.000 soldaten op Thais grondgebied gestationeerd en de beruchte Dodenspoorweg aangelegd. Die strategisch belangrijke spoorweg moest de Japanse troepen door Thailand naar Moulmein aan de Andamanse Zee in Birma, een Britse kolonie, brengen. Voor de bouw werden geallieerde - vooral Britse en Nederlandse - krijgsgevangenen en nog veel meer Aziatische dwangarbeiders ingezet. Naarmate de oorlog vorderde, werd de Japanse aanwezigheid hinderlijk. De Thaise handel kwam tot stilstand en Japanse militairen die voorraden en materieel opeisten, behandelden Thailand almaar meer als een veroverd gebied dan als een bondgenoot. Geallieerde bombardementen op Bangkok en andere doelwitten richtten aanzienlijke schade aan en er vielen duizenden doden. De publieke opinie en de sympathie van de burgerlijke politieke elite keerden zich merkbaar tegen het regime van Phibun en de militairen. In juni 1944 moest Phibun noodgedwongen ontslag nemen en werd zijn regering vervangen door het eerste grotendeels door burgers gevormde kabinet sinds de staatsgreep van 1932.


  Asmogendheden
Duitsland (incl. Oostenrijk), Italië, Japan,
Bulgarije, Hongarije, Roemenië, Slowakije,
Kroatië
Westerse geallieerden
Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Verenigde
Staten, Polen, Australië, Nieuw-Zeeland,
Zuid-Afrika, Canada, Nederland, België,
Denemarken, Noorwegen, Indonesië,
Griekenland, Joegoslavië (excl. Kroatië),
Brazilië, Finland (pas later)
Geallieerden in het oosten
Sovjet-Unie, Republiek China
   
   
   
 

Bewegende kaart met verloop van Tweede Wereldoorlog (september 1939 - september 1945)
©Wikimedia Commons




1.4.4. Pridi en het burgerlijke bestuur, 1944-1947

De nieuwe regering werd geleid door Khuang Aphaiwong, een burger met conservatieve politieke bindingen zoals Seni. Het invloedrijkste personage van het regime was echter Pridi, die met zijn anti-Japanse opvattingen voor de Thais almaar aantrekkelijker werd. In het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog liet Bangkok stilzwijgend geallieerde agenten op het Thaise grondgebied toe. Op het eind van de oorlog verwierp Thailand de overeenkomsten die het tijdens de oorlog met Japan gesloten had. Toch slaagden de burgerlijke leiders er niet in de eenheid te herstellen. Premier Khuang raakte in onmin bij Pridi en werd vervangen door Seni, die door de regent voorgedragen kandidaat, die na zijn ambassadeursfunctie in Washington naar Thailand teruggekeerd was. De machtsstrijd tussen de verschillende groepen eind 1945 veroorzaakte een politieke scheiding in de rangen van de burgerlijke leiders en daardoor konden die niet samen een vuist maken tegen de weer oplevende politieke macht van het leger in de naoorlogse jaren. Ook schikkingen die na de oorlog met de geallieerden werden getroffen, verzwakten de burgerregering. Dankzij de oorlogsbijdrage van de Free Thai Movement beschouwden de Verenigde Staten tijdens de naoorlogse vredesonderhandelingen niet als een vijand. Officieel was Thailand immers nooit met de VS in oorlog geweest. Voor een vredesverdrag ondertekend werd eiste het Verenigd Koninkrijk echter toch herstelbetalingen in de vorm van rijst, die naar Malaya moest worden vervoerd. Frankrijk weigerde dan weer de opname van Thailand in de Verenigde Naties (UNO), zolang de tijdens de oorlog ingelijfde gebieden van Frans-Indochina niet waren teruggegeven. De Sovjet-Unie eiste de intrekking van de anticommunistische wetten. De Thaise regering richtte een agentschap op dat de levering van rijst als Thaise schadeloosstelling voor de oorlog moest organiseren. Aanvankelijk moest Thailand in totaal 1,5 miljoen ton rijst - ongeveer 10 percent van de jaarlijkse rijstoogst - leveren, maar dat cijfer werd verminderd en binnen twee jaar had Thailand de herstelbetalingen uitgevoerd. De regering bleef echter ook daarna nog de rijsthandel regelen, want het was een instrument waarmee inkomen kon worden voortgebracht. De regering Seni overleefde maar tot de ondertekening van het vredesverdrag met Groot-Brittannië in januari 1946. Het publieke ongenoegen groeide als gevolg van de inflatie, de herstelbetalingen aan de Britten, de afstand van - volgens veel Thais terecht - ingelijfde territoria en het wanbeheer op alle bestuurlijke niveaus. Pridi stelde Khuang tijdelijk weer tot premier aan, maar moest in maart 1946 zelf het premierschap overnemen om het vertrouwen in de burgerlijke regering te herstellen. Volgens Pridi hing de macht van elk burgerlijke regime af van een goed werkend parlement. Daarom stelde hij met zijn kabinet een nieuwe grondwet op waarin ook parlementaire instellingen voorzien waren. De grondwet werd in mei 1946 afgekondigd en voorzag in een tweekamerstelsel. Het lagerhuis (Kamer van Volksvertegenwoordigers) werd door de bevolking verkozen. Het hogerhuis (Senaat) werd door het lagerhuis verkozen. De nieuwe grondwet was op maat van Pridi gesneden, want die behield zo een parlementaire meerderheid die zijn programma's steunde. De verkiezing van 1946 ging eigenlijk vooraf aan de bekrachtiging van de nieuwe grondwet en was de eerste waaraan politieke partijen deelnamen. Twee coalitiepartijen, het Constitutionele Front (Pridi's eigen partij) en de Samenwerkingspartij, wonnen een grote meerderheid van de zetels in het lagerhuis, dat een Pridi-gezinde meerderheid naar het hogerhuis zond. Aan het hoofd van de parlementaire oppositie stond de Democratische (Prachathipat) Partij, geleid door Seni en Khuang. Twee weken na de verkiezing van het hogerhuis leed Pridi's aanzien onherstelbare schade, toen Ananda Mahidol, die enkele maanden ervoor uit Zwitserland was teruggekeerd, met een kogelwonden in zijn hoofd dood in zijn bed in het koninklijk paleis werd aangetroffen. Volgens de officiële versie was de koning door een ongeluk om het leven gekomen, maar velen betwijfelden dat omdat er slechts zeer weinig feiten bekend werden gemaakt. Volgens sommige geruchten zat Pridi achter de dood van de koning. Twee maanden later, in augustus, nam Pridi zogenaamd om gezondheidsredenen ontslag en vertrok hij naar het buitenland. Luang Thamrongnawasawat werd premier. De jongere broer van de overleden koning, de negentienjarige Bhumibol Adulyadej (Rama IX, 1946- ), werd tot troonsopvolger gekozen. De nieuwe koning was in 1927 in Cambridge, Massachusetts (Verenigde Staten) geboren, had zijn jeugd in Zwitserland doorgebracht en bezocht pas in 1945 samen met zijn broer voor de eerste keer Thailand. Hij keerde naar Zwitserland terug om zijn opleiding af te maken en keerde pas in 1951 naar Bangkok terug om er zijn koninklijk ambt op te nemen.


1.5. Terugkeer van Phibun en het leger

Omdat Pridi uit de gratie was geraakt en door de wijze waarop de burgerregering die hem opvolgde, de dood van de koning onderzocht, herwon de militaire groep rond Phibun een deel van de status die ze verloren had door het samenspannen met de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog. Phibuns medestanders wakkerden het nationalisme opnieuw op en speelden handig in op de hevige publieke misnoegdheid over de gedwongen herstelbetalingen van Thailand na de oorlog. Velen gingen ervan uit dat zij de Thaise economie ontwrichtten. Sommige legerofficieren verweten de burgerregering ook dat het leger in 1946 nodeloos werd vernederd, toen Thaise eenheden die in het noorden van het land op verdreven Chinese troepen van de Kwomintang botsten, toch het bevel kregen te velde uiteen te gaan. De Thaise soldaten werden aan hun lot overgelaten en moesten het stellen zonder bevoorrading en vervoer. De militairen hadden ook kritiek op het verzoenende beleid van de burgerregering ten aanzien van minderheden zoals Chinezen, moslims en volksstammen in de heuvels. Phibun werd in 1945 als oorlogsmisdadiger gearresteerd, maar werd niet lang daarna weer vrijgelaten door de rechtbanken. Phibun was een gehaaid leidersfiguur en stond bekend als fervente tegenstander van het communisme. Hij kon nog altijd rekenen op de stem van veel officieren. Zelfs de bourgeoiselite, die ontevreden was over de economische wanorde en bang over de toenemende communistische opstanden in de buurlanden, zag in Phibun een geschikte kandidaat voor het premierschap. Volgens sommige waarnemers zou hij zijn eerherstel aan de invloed van de Verenigde Staten te danken hebben gehad.


1.5.1. Staatsgreep van november 1947

In november 1947 greep de Coup d'Etat Group (Staatsgreepgroep), geleid door twee gepensioneerde generaals, met steun van Phibun de macht. Pridi, die nog maar net van zijn wereldreis teruggekeerd was, vluchtte opnieuw het land uit en vestigde zich uiteindelijk in China. De coupleiders stelden een interimregering, geleid door Khuang, aan en beloofden een nieuwe grondwet. Tijdens de nationale verkiezingen van januari 1948 zag de junta, vooral de groep rond Phibun, zich in zijn macht bevestigd. Om ook de conservatieve burgers gunstig te stemmen werd Khuang als premier aangesteld. Khuang voerde volgens de militairen echter een te onafhankelijke koers en werd in april 1948 afgezet door Phibun, die intussen veldmaarschalk geworden was. In de drie jaar erna worstelde premier Phibun om zijn regering boven water houden en had hij af te rekenen met verschillende pogingen tot staatsgreep van rivaliserende militaire groepen. Op zoek naar de nodige steun liet hij toe dat vijandige politieke groeperingen, ook de conservatieve Democratische Partij van Khuang, deelnam aan het ontwerpen van alweer een nieuwe grondwet, die in 1949 werd afgekondigd. Toen in oktober 1948 leiders van een legergroep die tegen Phibun was, werden gearresteerd, liet men de aanhangers van de vroegere premiers Pridi en Khuang bij de marine en de mariniers ongemoeid. In februari 1949 werd een opstand die naar verluidt werd gesteund door aanhangers van Pridi bij de mariniers en in de marine na drie dagen durende gevechten onderdrukt. In juni 1951 kwamen mariniers en marinetroepen opnieuw in opstand en zetten ze Phibun af. Eenheden van de landmacht en de luchtmacht die Phibun trouw bleven, drukten die opstand echter weer de kop in. De sterkte van de marine werd verregaand ingeperkt en de marine werd gezuiverd van hogere marine-officieren. Phibuns beleid tijdens zijn tweede regeerperiode (1948-1957) leek sterk op het beleid dat hij eind jaren 30 had ingezet. In 1949 voerde hij opnieuw het gebruik van de naam Thailand in. Als reactie op het extreme nationalisme had men in 1946 opnieuw voor de naam Siam gekozen. De wetten die de Thaise samenleving op westerse maat moesten schoeien en die Phibun nog voor de Tweede Wereldoorlog had afgekondigd, werden opnieuw ingevoerd. Het middelbaar onderwijs werd verbeterd en de militaire uitgaven werden aanzienlijk verhoogd. Onder Phibun werden Chinezen lastig gevallen. Men beschouwde hen als ontrouwe landgenoten en na 1949 als communisten. Phibuns anti-communistische opstelling beïnvloedde verregaand zijn buitenlands beleid. Thailand weigerde de Volksrepubliek China te erkennen, was voorstander van het optreden van de UNO in Korea in 1950 en steunde de Fransen in hun strijd tegen communistische opstandelingen in Indochina. Tot in 1972 waren Thaise troepen in Zuid-Korea gestationeerd. Onder Phibun was Thailand de trouwste aanhanger van het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten op Zuidoost-Aziatische vasteland.


1.5.2. Staatsgreep van november 1951

In 1951 deelde Phibun de politieke macht met twee bondgenoten die samen met hem de staatsgreep van 1947 hadden georganiseerd en de burgerregering hadden omvergeworpen. De ene was generaal Phao Siyanon, directeur-generaal van de politie en een compagnon van Phibun sinds de coup van 1932. De andere was de nog jonge generaal Sarit Thanarat, commandant van het garnizoen van Bangkok. Phibuns aanhang bij de militairen smolt weg door de vele intriges tegen hem. Phao en Sarit werden machtiger dan Phibun, die er alleen maar in slaagde als premier aan te blijven omdat het tweetal zelf om de opvolging ruziede. In november 1951 kondigden leger- en politie-officieren tijdens een radiouitzending mee dat de regering de grondwet van 1949 opgeschort had en dat opnieuw de grondwet van 1932 van kracht was. Als reden voor de herinvoering van een eenkamerig parlement, waarvan de helft van de leden door de regering werd benoemd, gaf men het gevaar voor communistische agressie op. Kort na de staatsgreep, die de regering zelf had uitgevoerd, werd koning Bhumibol Adulyadej naar Thailand teruggeroepen. Voor het eerst sinds 1935 resideerde een volwassen monarch in het paleis in Bangkok. In februari 1952 werd een herziene grondwet afgekondigd en werden verkiezingen gehouden voor het nieuwe, uit een kamer bestaande parlement, waarvan de helft van het leden nog moest worden benoemd. Bijna alle benoemde parlementsleden waren legerofficier. Het triumviraat Phibun-Phao-Sarit volgde de politieke lijn van de voorbije vijf jaar. In november 1952 kondigde de politie aan dat ze een communistisch complot tegen de regering had ontdekt en werden vele Chinezen gearresteerd. Veel Chinese scholen werden gesloten en Chinese verenigingen werden verboden. De campagne tegen de communisten had een duidelijk anti-Chinese strekking en bereikte in 1953 een hoogtepunt. In 1954 nam Thailand deel aan een conferentie in Manila die leidde tot het Zuidoost-Aziatisch Collectief Defensieverdrag met als militaire organisatie de Zuidoost-Aziatische Verdragsorganisatie (ZOAVO, opgericht op 8 september 1954). Het hoofdkwartier van de ZOAVO werd gevestigd in Bangkok en de ZOAVO mocht militaire bases in Thailand gebruiken. De betrekkingen met de Verenigde Staten bleven vriendelijk en de Amerikanen bedachten Thailand met aanzienlijke economische, technische en militaire steun. In 1955 had de Thaise regering een restrictieve uitvoertaks op rijst, de omstreden rijstpremie, geheven. Om rijst te mogen verhandelen moest men een rijstuitvoerlicentie kopen. Het eigenlijke doel van die taks was de bevordering van de Thaise industrie en de ontmoediging van de rijstproductie. De regering hoopte dat de heffing op het tonnage uitgevoerde rijst de prijs van de Thaise rijst op de internationale markt de hoogte in zou jagen, waardoor de rijst niet langer concurrentieel was en de uitvoer werd ontmoedigd. De regering kocht dan de rijstvoorraden op die niet in het buitenland konden worden afgezet om zo een openbare rijstreserve aan te leggen. De rijst uit die stocks verkocht ze tegen kunstmatig lage prijzen op de binnenlandse markt. Door in goedkope rijst te voorzien hoopte de regering de levensduurte in de stedelijke gebieden laag te houden en eisen om hogere lonen voor te zijn, zodat de Thaise industriële producten op de internationale markt concurrentieel zouden zijn. De regering voerde ook aan dat haar rijstbeleid de diversificatie in de landbouw zou bevorderen, want de traditionele rijstboeren in de centrale laagvlakte schakelden op andere gewassen - mäis, suikerriet en ananas - over. De beperking van de rijstexport had echter geen effect op de rijstboeren in het noorden en noordosten van het land, want zij produceerden kleefrijst, die enkel voor lokale consumptie bestemd was. De rijstpremie leidde tot vrijhandel, dezelfde als die onder het Bowring-verdrag (Vriendschaps- en Handelsverdrag met het Britse Rijk) uit 1855. De Thaise regering speelde een actieve economische rol zoals die sinds 1932 door de nationalisten werd bepleit. Tegenstanders van het rijstbeleid verweten de regering dat de rijstpremie veel te hoog was en de zwaarste last uiteindelijk liet terechtkomen op de schouders van de kleine boeren in de centrale laagvlakte. Die boeren teelden rijst bestemd voor de export, verloren zo een verhoging van hun reële inkomen en konden niet mee genieten van de voordelen van de Thaise economische hoogconjunctuur in de jaren 60. Ze zagen geen aanleiding om hun productie op te voeren, plantten minder aan en beperkten het gebruik van verbeterd zaaigoed en dure meststoffen. Volgens regeringsfunctionarissen zouden de internationale en binnenlandse rijstprijzen door de verhoogde buitenlandse rijstproductie weer op hetzelfde niveau komen en op die manier de rijstpremie overbodig maken.


   
 

Kaart van de Zuidoost-Aziatische Verdragsorganisatie (ZOAVO, SEATO)
©Wikimedia Commons




1.5.3. Phibuns democratisch experiment

De strijd om de macht in de Thaise regering ging onverminderd door. Phibun probeerde Sarits voorsprong bij het leger te compenseren door de publieke opinie voor zich te winnen. In 1955 reise hij door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië en na zijn terugkeer startte hij in Thailand een beleid van prachathipatai (democratie), naar eigen zeggen een geschenk van hem aan de natie. Hij moedigde de mensen aan openlijk kritiek te geven op zijn "open regime". In navolging van de Speaker's Corner in het Londense Hyde Park reserveerde hij een deel van een centraal gelegen park in de buurt van het koninklijk paleis in Bangkok voor openbare discussies. De pres mocht vrijelijk verslag uitbrengen over de afwijkende meningen die in dat park werden geventileerd. De kritiek, vooral in de pers, was onverbloemd en de regering moest het vaak ontgelden. Phibun moedigde kritiek aan en riep tegelijk een halt toe aan de anti-Chinese mentaliteit. Hij maakte plannen om de bevoegdheden van lokale besturen uit te breiden en stond ook toe dat politieke partijen werden opgericht. Toch wilde Phibun niet echt een democratisch staatsbestuur invoeren, maar hooguit de schijn van democratie wekken. Phao en Phibun deden er alles aan opdat de regering tijdens de nationale verkiezingen in februari 1957 de overwinning zou behalen. Phao kwam aan het hoofd te staan van een nieuw opgerichte partij, de Seri Manangkhasila. Die was toen de grootste en het best gefinancierde van de 25 partijen die in reactie op de prachathipatai werden opgericht. Sarit hield zich afzijdig en distantieerde zich na het ontgoochelende verkiezingsresultaat. Seri Manangkhasila behaalde weliswaar een meerderheid, maar de helft van de zittende partijleden werd verslagen. Sarit en anderen stelden de verkiezingsscore zelfs in vraag en beschuldigden de regering ervan zelf de stembussen te hebben gevuld. Toen universiteitsstudenten de straat opgingen om te protesteren tegen de manier waarop de regering de verkiezingen afhandelde, riep Phibun de noodtoestand uit en schortte hij de prachathipatai op.



1.6. Sarit en Thanom

Phibun verwierf niet de steun bij de bevolking waarop hij uit was. Die poging ondermijnde zijn aanzien bij de militairen. Na de verkiezing vormde Phibung in maart 1957 een nieuwe regering en benoemde hij Phao tot minister van binnenlandse zaken, bevoegd voor de binnenlandse veiligheid. Sarit, die zijn prestige tijdens de verkiezing niet in de waagschaal had gesteld, werd benoemd tot opperbevelhebber en kwam als sterkste vertegenwoordiger van de heersende kliek naar voren. In september 1957 brak hij openlijk met zijn collega's, stuurde hij tanks de straat op en zette hij Phibun en Phao tijdens een geweldloze staatsgreep af. Hij schortte de grondwet op en ontbond het parlement. De koning keurde het optreden van Sarit goed. De koninklijke familie was al sinds de jaren 30 tegen Phibun. In december vonden nieuwe verkiezingen plaats onder een interimregering van burgers geleid door Pote Sarasin, de secretaris-generaal van de ZOAVO. Geen enkele partij veroverde een meerderheid in het parlement. Sarit vormde een regeringspartij, de Nationale Socialistische Partij, om de losse coalitie van partijen en personen die zijn regime steunden, onder een hoed te brengen. Wegens zijn zwakke gezondheid liet hij de regeringsvorming over aan Thanom Kittikachorn, zijn plaatsvervanger bij de strijdkrachten. Thanoms regering werd geplaagd door geruzie in de partij over politieke en economische voordelen. Het gekibbel verhevigde nog toen ook linkse politici, die tegen het pro-westerse buitenlandse beleid waren, in de regering werden opgenomen.


1.6.1. Terugkeer van Sarit

In oktober 1958 nam Sarit met instemming van Thanom, die als premier ontslag nam persoonlijk de controle over de regering over. Kort daarvoor was Sarit teruggekeerd uit de Verenigde Staten waar hij zich grondig medisch had laten behandelen. Sarit beweerde dat hij de "nationale discipline" in het land wilde aanwakkeren. Hij rechtvaardigde zijn optreden met de bewering dat de verschillende constitutionele experimenten van Thailand niet de voor de economische ontwikkeling vereiste stabiliteit hadden gebracht. Hij verbood politieke partijen en liet critici van het regime - leraars, studenten, vakbondsleiders, journalisten en liberale parlementsleden in de gevangenis opsluiten. Een tiental kranten werden verboden. In januari 1960 kondigde Sarit een interimgrondwet af. Volgens die voorlopige grondwet moest een assemblee worden verkozen die een nieuwe, definitieve grondwet - de achtste Thaise grondwet sinds 1932 - zou opstellen. In de jaren 60 werkte men aan het ontwerp van die grondwet. Sarit bekleedde het amt van premier zoals voorzien in de interimgrondwet, maar zijn regime was een echte militaire dictatuur. Ondanks de politieke tekortkomingen van Sarit was zijn regering toch dynamischer dan die gedurende de grondwettelijke periode. Sarit gaf de ministers van zijn kabinet een relatief grote vrijheid bij het beheren van hun eigen ministerie. Toch nam alleen hij alle belangrijke beslissingen. Ondanks herhaalde schandalen door overheidscorruptie leek Sarit begin jaren 60 politieke stabiliteit en economische groei bereikt te hebben. In 1961 startte de regering het eerste van een reeks projecten voor economische ontwikkeling ter bevordering van de werkgelegenheid en verhoging van de productie. Ook al werden legerofficieren vaak aangesteld tot directeur van overheidsbedrijven of onderneming die nagenoeg een staatsbedrijf waren, kreeg het burgerpersoneel een steeds groter wordend aandeel in de omzetting van het regeringsbeleid. Sarit ontving buitenlandse investeerders met open armen en verzekerde hen dat ze de bescherming van de regering genoten. Met steun van de Verenigde Staten en internationale organisaties werden belangrijke elektrificatie- en irrigatieprojecten uitgevoerd. Sarit startte bovendien een grootschalige campagne voor schonere steden. Hij blies het motto "natie-godsdienst-koning", een krachtige politieke slogan voor zijn regime, nieuw leven in. Volgens hem moesten het paternalisme van de oude Thaise staat en de liefdadige idealen van het boeddhisme gecombineerd worden. Hij wilde de koning "in ere herstellen", door hem actief aan het nationale gebeuren te laten deelnemen. Hij drong er bij koning Bhumibol Adulyadej en zijn gemalin, koningin Sirikit, op aan meer contact met de Thaise bevolking, die de monarchie erg genegen was, te zoeken. Voor de koning en de koningin tournees georganiseerd om Thailand in het buitenland te vertegenwoordigen. Sarit speelde ook handig in op de religieuze gehechtheid van de bevolking. In 1962 centraliseerde hij het bestuur van de boeddhistische kloosters in een hoger patriarachaat dat zijn bewind gunstig gezind was. Hij mobiliseerde monniken, vooral in het noorden en noordoosten van het land, om de projecten van de regering te steunen. Critici voerden aan  dat Sarit de godsdienst vernederd door ze voor zijn politieke doelstellingen te misbruiken en dat hij de monarchie had gecompromitteerd door ze voor het legitimeren van een militaire dictatuur te legitimeren. Volgens hen had het overheidsbeleid die instellingen niet hersteld maar had het bijgedragen tot een verder materialisme en secularisme en de uitholling van het boeddhisme in Thailand. Onder Sarits leiding ging Thailands anticommunistisch beleid onverminderd verder en werden er stappen genomen om militair te reageren op de toenemende dreiging van opstand als gevolg van de communistisch geïnspireerde activiteiten in de buurlanden. Sarit haalde de banden aan met Thailands anticommunistische buren en met de Verenigde Staten. In 1961 vormden Thailand en de Filipijnen, een ander lid van de ZOAVO, samen met het nog maar pas onafhankelijk geworden Malaya (vanaf 1963 Maleisië) de Associatie van Zuidoost-Azië (ASA, Association of Southeast Asia). De Pathet Lao (onder die naam was het linkse Volksbevrijdinsleger van Laos tot in 1965 bekend) trok in maart 1962 het noorden van Laos binnen. Dean Rusk, de toenmalige Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, en Thanat Khoman, de Thaise minister van buitenlandse zaken, kwamen overeen dat ze het Zuidoost-Aziatisch Collectief Verdedigingsverdrag van 1954 tegelijk als bilateraal en als multilateraal pact beschouwden. Daardoor konden de Verenigde Staten Thailand met of zonder de toestemming van de andere ondertekenaars van het pact te hulp snellen indien nodig. Twee maanden na het akkoord tussen beide ministers van buitenlandse zaken stationeerde president John F. Kennedy Amerikaanse troepen in Thailand in reactie op de uit de hand lopende situatie in Laos. De Thaise regering zag in de komst van die troepen in mei 1962 het bewijs dat de Verenigde Staten zich engageerden voor de vrijwaring van Thailands onafhankelijkheid en integriteit tegenover de communistische expansie. Ondanks de druk van de Verenigde Staten weigerde Sarit democratische hervormingen in Thailand door te voeren.


1.6.2. Thaise politiek en buitenlands beleid, 1963-1971

In december 1963 overleed Sarit. Thanom volgde hem als premier op en volgde nagenoeg hetzelfde buitenlandse en binnenlandse beleid als zijn voorganger. Hij behield ook het kabinet dat hij van Sarit overerfde en legde zich vooral toe op het behoud van de politieke stabiliteit, de bevordering van de economische ontwikkeling, de verhoging van de levensstandaard en het behoeden van het land tegen binnenlandse en buitenlandse communistische bedreigingen. Een duidelijke afwijking van Sarits beleid was evenwel de beslissing van Thanoms regering om op kortere termijn over te stappen van een door de militaire gedomineerd bestuur naar een door het volk verkozen regering. De premier drong er bij de in 1959 aangestelde Constituerende Vergadering op aan zo snel mogelijk een ontwerp van grondwet klaar te maken. De nieuwe leiding versoepelde ook de overheidscontrole op de pers, een maatregel die volgens de autoriteiten bedoeld was om een nieuw, relatief geliberaliseerd, politiek klimaat te vestigen. De leiders waren het eens over de wenselijkheid van de invoering van een democratischer politiek bestel in overeenstemming met de nalatenschap van het land, maar waren het oneens over de snelheid waarmee de veranderingen moesten worden doorgevoerd. Volgens enkele leidende functionarissen zou een spoedig herstel van het normale politieke leven de politieke basis verruimen en de populariteit van de regering, de monarchie en het boeddhisme alleen maar versterken. Volgens anderen zou de herinvoering van partijpolitiek op een ogenblik dat het land ernstige binnenlandse problemen had, de communisten alleen maar goed uitkomen bij hun pogingen om vakbonden, politieke en studentenorganisaties te infiltreren. De nieuwe grondwet werd in juni 1968 afgekondigd, maar de in 1958 uitgeroepen staat van beleg bleef gelden. Politieke partijen werden toegestaan en kort na medio 1968 hernam het partijpolitieke leven. In februari 1969 werden algemene verkiezingen voor de Nationale Vergadering gehouden. De Verenigde Thaise Volkspartij van Thanom won 75 van 219 zetels in het lagerhuis en werd zo de grootste van de 13 partijen. Tweede werd de Democratische Partij met 57 zetels. De gemiddelde jaarlijkse economische groei van Thailand in de jaren 60 en begin jaren 70 bedroeg niet minder dan 8 percent, maar die groei was grotendeels te danken aan de militaire uitgaven van de Verenigde Staten tijdens de oorlog in Vietnam. Ook meer en meer deviezen stroomden het land in, dankzij de Verenigde Staten en multilaterale leningen en ook door buitenlandse investeringen, hoofdzakelijk uit Japan, de Verenigde Staten en Taiwan. Het buitenlandse beleid concentreerde zich nog altijd op de buurstaat Laos, omdat men ervan uitging dat een overwinning van de Pathet Lao het noorden en noordoosten van Thailand zou destabiliseren en Thailand zou openstellen voor rechtstreekse aanvallen door communistische troepen. Thailand koos de zijde van de Verenigde Staten in de Republiek Vietnam (Zuid-Vietnam) en liet basissen in het land toe. Van die bases voerden de Amerikanen luchtaanvallen op de Democratische Republiek Vietnam (Noord-Vietnam) en Cambodja uit. In 1968 wagen meer dan 45.000 Amerikaanse soldaten en 500 gevechtsvliegtuigen in Thailand gestationeerd, maar dat werd nooit officieel erkend omdat de Thais bang waren voor communistische represailles tegen Thailand. Sarit stelde ook een Thaise legerdivisie voor de oorlog in Zuit-Vietnam beschikbaar. De mededeling van president Lyndon B. Johnson in maart 1968 dat de Verenigde Staten de bombardementen op Noord-Vietnam zouden stopzetten en vredesonderhandelingen zouden starten, was een kaakslag voor de Thaise regering, want zij was door de Amerikanen helemaal niet geconsulteerd. In de Amerikaanse strategische planning bleef de verdediging van Thailand van essentieel belang voor de veiligheid in Zuidoost-Azië, maar toch ondernamen de Amerikanen niets tegen Laos, ook al was die buurstaat zeer belangrijk voor de Thaise nationale veiligheid. Thailand bleef weliswaar trouw aan zijn toezeggingen maar koos voor een flexibeler buitenlands beleid in plaats van de al te grote afhankelijkheid van de Verenigde Staten. Het leger wilde echter dat Thailand een actieve rol bleef spelen in Zuid-Vietnam en Laos, waar enkele duizenden Thaise "vrijwilligers" tegen de Pathet Lao vochten. Thanom drong er bij de Verenigde Staten op aan het regime van Lon Nol in Cambodja in 1970 te steunen. Hij stelde een formeel bondgenootschap van Thailand, Laos, Cambodja en Zuid-Vietnam voor. Zo zou het conflict in de regio lijken op een oorlog van Aziatische anticommunisten voor veiligheid in Zuidoost-Azië. Het plan kreeg echter niet de steun van de Verenigde Staten. De communistische activiteiten in Laos en Malaya ondermijnden reeds de binnenlandse veiligheid in het zuiden en noordoosten van Thailand in de jaren 50 en werden in de jaren 60 een almaar ernstiger dreiging. Communistische guerillastrijders, meestal etnische Chinezen, opereerden in de jungle ten noorden van de Thais-Maleise grens. Ze waren daarheen gevlucht voor troepen van het Gemenebest van Naties tijdens de communistische guerillaoorlog tussen 1948 en 1960. Een grotere dreiging in datzelfde gebied ging uit van moslimrebellen van het Nationale Bevrijdingsfront van Pattani, een Thaise separatistische groepering van etnisches Maleiers. In de noordelijke provincies van Thailand werden Meo-stamleden in 1950 door de Pathet Lao opgeleid en van wapens voorzien. In het noordoosten speelden ondergrondse linkse partijen in op het ongenoegen door de vrij lage economische en sociale omstandigheden en wakkerden zo het verzet tegen de regering aan. De regering in Bangkok beschouwde de beroering en de protesten tegen haar etnische en economische beleid vaak als zuivere communistische opstanden, die vaak met dat ongenoegen gepaard gingen en er handig op inspeelden. Ook oppositiegroeperingen en critici van het regime in Bangkok werden doorgaans als communisten bestempeld.


1.6.3. Staatsgreep van november 1971

In november 1971 pleegde premier Thanom een staatsgreep tegen zijn eigen regering. Zo maakte hij een eind aan drie jaar zogenaamde parlementaire democratie. De grondwet van 1968 werd opgeschort, politieke partijen werden verboden en het land ging voortaan gebukt onder een onverbloemde militair regime. Een militaire junta, de Nationale Uitvoerende Raad, bekleedde de uitvoerende en wetgevende macht. Aan het hoofd van die Raad stond een triumviraat: Thanom, die premier bleef, veldmaarschalk Praphat Charusathian, de vice-premier, en Narong Kittikachorn, een legerkolonel en zoon van Thanom (en schoonzoon van Praphat). Ondanks een harde onderdrukking van elke oppositie, groeide de ontevredenheid over het dictatoriale regime aan de universiteiten, in de vakbonden en bij rivaliserende militaire klieken. Het ongenoegen draaide vooral rond de Amerikaanse steun voor Thanom, de toenemende Japanse economische invloed en de overheidscorruptie, die het regime zelfs niet probeerde te verbergen. De burgerlijke politieke elite en studenten en arbeiders vonden elkaar in hun verzet tegen Thanoms doelstelling: de voortzetting van een politieke dynastie in de persoon van zijn zoon, Narong. Vooral de officieren waren hiermee allerminst opgezet. Thanoms verheerlijking van zijn eigen familie strookte niet met het beeld dat hij probeerde te geven en de "burgerlijke religie", die opriep tot het vereren van "natie, godsdienst, koning". Het triumviraat negeerde ook volkomen de koning, wiens aanvankelijke enthousiasme voor Thanom flink was verminderd. Tegenstanders zeiden dat de junta de godsdienst minachtte. Enkele critici zagen repulikeinse trekjes in het regime en waren bang dat de volgende staatsgreep van Thanom wel eens de monarchie ten val kon brengen.


1.7. Thailand in overgang

In In december kondigde Thanom een nieuwe interimgrondwet aan die voorzag in een volledig benoemde wetgevende vergadering. Tweederde van de parlementsleden moesten uit het leger en de politie komen. Dit lokte - vooral bij de studenten - groot protest uit en leidde uiteindelijk tot de afzetting van Thanom. In mei en juni 1973 betoogden studenten en arbeiders in de straten en eisten ze een meer democratische grondwet en echte parlementsverkiezingen. In oktober nam het geweld opnieuw toe uit protest tegen de gevangenneming van elf studenten die waren gearresteerd omdat ze pamfletten tegen de regering hadden uitgedeeld. De betogingen namen in hevigheid toe, toen almaar meer studenten het einde van de militaire dictatuur eisten. Op 13 oktober demonstreerden meer dan 250.000 mensen bij het Gedenkteken van de Democratie tegen de regering. Het was de grootste betoging in de Thaise geschiedenis. De dag erna openden soldaten het vuur op de betogers en bezetten ze de campus van de Thammasat-universiteit. 75 betogers werden gedood. Koning Bhumibol wilde dat Thanom ontslag nam en eigende zich een rol toe in de oplossing van de crisis. Hij wilde verder bloedvergieten vermijden en ontbood Thanom en zijn kabinet voor een gesprek in het Chitralada-paleis. 's Avonds kondigde de koning op de televisie en de radio een compromisoplossing aan. Thanom had ontslag genomen als premier maar bleef opperbevelhebber van de strijdkrachten. Na overleg met studentenleiders benoemde de koning Sanya Dharmasakti (Sanya Thammasak) tot interimpremier en gaf hij hem opdracht een nieuwe grondwet op te stellen. Sanya, een conservatief, was rector van de Thammasat-universiteit en het was bekend dat hij sympathiseerde met de studenten. Op 15 oktober stond men Thailands "drie meest gehate mannen" - Thanom, Praphat en Narong - toe dat ze in het geheim het land verlieten. De koning verijdelde zo de plannen van studentenmilitanten die de drie wilde laten berechten. Pas na hun vertrek vernam de bevolking dat de drie mannen het land onvlucht waren. Praphat en Narong vluchtten naar Taiwan, Thanom vloog eerst naar de Verenigde Staten. De studentenbetogingen van 1973 waren niet als voorspel tot een revolutie bedoeld geweest. Ze waren deels het gevolg van de frustratie van veel studenten, die na hun afstuderen geen professionele carrière konden uitbouwen. Dit was echter ook te wijten aan het feit dat de inschrijvingen aan de universiteiten in de jaren 60 en begin jaren 70 enorm toegenomen waren. De studenten rechtvaardigden behoedzaam hun verzet tegen de militaire dictatuur door een beroep te doen op godsdienst en monarchie. Op straat lieten ze de symbolen van de officiële godsdienst zien: figuren van de Boeddha, beeltenissen van de koning en de nationale vlag. Premier Sanya dankte de studentenbeweging omdat ze de militaire dictatuur ten val had gebracht. Tijdens de staatsplechtigheid ter ere van de doden van de betogingen van 1973 verklaarde hij: "Dankzij hun dood is er weer democratie en die zullen we voor altijd behoeden." Toch bracht de politieke koerswijziging in Thailand niet de door sommigen verhoopte en door anderen gevreesde verschuiving naar links. Studentenleiders die zich door de medeplichtigheid van de koning bij de ontsnapping van Thanom verraden voelden, waren niet blij met de koers die de nieuwe regering insloeg. De nieuwe grondwet, die in oktober 1974 van kracht werd, voorzag in een door het volk verkozen Huis van Afgevaardigden en nationale verkiezingen binnen 120 dagen. De politieke partijen namen snel in aantal toe nadat in 1974 wetgeving werd goedgekeurd die hun inschrijving mogelijk maakte. De parlementsverkiezingen van januari 1975 leverden dan ook een onbeslist resultaat op. 42 officieel erkende partijen namen eraan deel, maar niet een veroverde een meerderheid in het parlement. De partijen werden grotendeels geoganiseerd rond bekende politieke personaliteiten en weinigen hadden een ideologische basis of een gedetailleerd partijprogramma. Slechts 47% van de stemgerechtigde kiezers bracht een stem uit. Naar verluidt stonden een algemeen cynisme over de politici en een wanordelijke registratie van de kiezers aan de basis van de vrij lage opkomst. Volgens waarnemers verliepen de verkiezingen echter niet openlijk corrupt. Een groot blok van rechtse en centrumpartijen veroverde bijna 90% van de parlementszetels. Geen enkele partij gold als hervormingsgezind en eigenlijk waren ze allemaal voor de status quo. Aan de linkerzijde pleitte een kleine, onervaren maar idealistische groep voor de herverdeling van het land en neutraliteit in buitenlandse aangelegenheden. Seni Pramoj, wiens Democratische Partij de grootste rechtse partij was, stond aan het hoofd van een wankele regering, die slechts 91 van de 269 zetels in het Huis van Afgevaardigden bezat. Binnen de maand viel zijn regering, die een vertrouwingsstemming niet overleefde. In maart slaagde Kukrit Pramoj, Seni's broer en leider van de kleine, rechtse Partij voor Sociale Actie (Kit Sangkhom), erin een stabielere centrumcoalitie rond zich te scharen. Tijdens zijn premierschap stelde Kukrit hervormingen voor zoals een gedecentraliseerde economische planning en het toevertrouwen van de economische ontwikkeling aan lokaal verkozen comités. Dergelijke maatregelen strandden echter herhaaldelijk op het verzet van leden van de Nationale Vergadering die hun eigen belangen veilig probeerden te stellen. Na de val van de regering Thanom stelde men de betrekkingen met de Verenigde Staten duidelijker in vraag. Veel studenten koesterden nationalistische gevoelens, die vaak met anti-Amerikanisme gepaard gingen, en ze protesteerden tegen een vermeende Amerikaanse inmenging in de binnenlandse zaken van Thailand. Ze riepen op tot een versnelde terugtrekking van de Amerikaanse troepen. Door de gewijzigde geopolitieke situatie in Zuidoost-Azië werd de Amerikaanse aanwezigheid opnieuw ter discussie gesteld. Veel Thais vonden dat het land zich onmogelijk met de communistische buurstaten kon verzoenen, als Amerikaanse militairen op Thais grondgebied gestationeerd waren. De terugtrekking van 27.000 Amerikaanse soldaten uit Thailand begon in maart 1975 en was medio 1976 een feit. De Thaise regering beklemtoonde de noodzaak van een verdere Amerikaanse militaire aanwezigheid in Zuidoost-Azië, maar Bangkok zag veel meer heil in een goede economische en technische samenwerking dan in een militaire coöperatie. De Amerikaans-Thaise relaties kenden een dieptepunt tijdens het Mayagüez-incident in mei 1975, toen de Verenigde Staten de luchtmachtbasis van Ban U Taphao zonder Thaise toestemming als uitvalsbasis gebruikten voor het ontzetten van het Amerikaanse containerschip SS Mayagüez en zijn bemanning, die door de Rode Khmer gegijzeld werd. Het incident werd gezien als een aanfluiting van de Thaise soevereiniteit lokte anti-Amerikaanse betogingen in Bangkok uit. Toen Zuid-Vietnam, Laos en Cambodja in het voorjaar van 1975 onder communistische controle kwamen, probeerde de Thaise regering in eerste instantie tot een vergelijk te komen met de overwinnaars, maar in Hanoi werd ze kil onthaald. In juli echter knoopte Thailand na twee jaar onderhandelen diplomatieke relaties met China aan. Datzelfde jaar ging Thailand een actieve rol spelen in de technische en economische samenwerking in de regio als lid van de ASEAN (Association of Southeast Asian Nations) sinds de oprichting in 1967. Naast de beleidsmatige wijzigingen in de eigen regering en in de betrekkingen met andere landen, kende Thailand ook economische verschuivingen. Kukrits regering kreeg te maken met sociale onvrede en stijgende prijzen. De economische boom, die de werkgelegenheid had gestimuleerd en voor ogenschijnlijke welvaart had gezorgd in de jaren 60, smolt als sneeuw voor de zon, naarmate de Verenigde Staten haar militaire uitgaven in Thailand terugschroefde. De aanzienlijke economische groei kon ook geen gelijke tred houden met de bevolkingsgroei. In 1960 telde Thailand 26 miljoen inwoners, in 1970 waren dat er al 34 miljoen. Ook al bleef de opbrengst per hectare landbouwgrond stabiel, volgde de landbouwproductie de bevolkingsgroei in de jaren 60 en 70 dankzij een verdubbeling van de landbouwgrond in diezelfde periode. Tegen het midden van de jaren 70 was alle beschikbare landbouwgrond met uitzondering van het zuidelijke schiereiland volledig opgebruikt. De toegenomen rijstproductie had internationale en binnenlandse rijstprijzen op dezelfde niveaus gebracht, zoals de regeringsleiders in de jaren 60 hadden voorspeld. Toch bleef de rijstpremie nog altijd van kracht en moest hij nu helpen de staatsinkomsten te verhogen. In 1975 leverde de rijstpremie meer dan 40 miljoen dollar op. Volgens bronnen in de regering werd het grootste deel daarvan gereserveerd voor landbouwontwikkelingsprojecten als vorm van inkomensverdeling. Het door de rijstpremie veroorzaakte lage inkomen en het gebrek aan beschikbare kredieten hadden een omgekeerd effect op de kleine boeren met een eigen landbouwbedrijfje in de centrale laagvlakte, die grotendeels voor de uitvoer produceerde. De boeren lieten hun velden voor wat ze waard waren en trokken naar de stad voor ander werk of ze ging als loonarbeiders op grote landbouwbedrijven aan de slag. Deze trek naar de steden resulteerde in een enorme uitbreiding van het hoofdstedelijk gebied Bangkok - Thon Buri, waar de bevolking in de jaren 60 en 70 met 250% explosief toenam en in 1980 de kaap van 4,5 miljoen inwoners overschreed. De ordehandhaving was het dringendste probleem voor het parlementaire bewind en bleek ook het moeilijkst te realiseren. De communistisch geïnspireerde opstand hield aan en zorgde voor een algemeen wantrouwen tegenover alle andersdenkenden. De radicalisering van de studentenbeweging werd toegeschreven aan communistische invloeden. Studentenleiders werden er regelmatig van beschuldigd dat ze in opdracht van Peking en Hanoi handelden. Vooral nadat Zuid-Vietnam, Laos en Cambodja in communistische handen waren gevallen, bestempelden de militairen en rechtse politici alle andersdenkenden meteen als communist. Zelfs in gematigde regeringskringen was men bang voor het aanhoudende activisme van de studenten en het verzet tegen de monarchie. In april 1975 werden veertien vakbonds- en studentenleiders op basis van anticommunistische wetten gearresteerd. Die wetten werden voor het eerst sinds de omverwerping van Thanom weer gebruikt. Die politieke spanningen werden ook nog eens aangewakkerd door de overvloed van nieuwe kranten, die na de afschaffing van de censuur en de beperkingen voor de pers in 1973 het levenslicht zagen. De meeste hadden een te kleine oplage om economisch leefbaar te zijn, maar ze gaven wel een stem aan alle mogelijke politieke overtuigingen en vormden een kakofonie waarmee velen het moeilijk hadden. Echte nieuwsberichtgeving was voor veel van die kranten eerder een bijkomstigheid en sommige werden alleen maar gebruikt om geruchten de wereld in te zenden en tegenstanders af te dreigen. Regeringsfunctionarissen gaven toe dat ze door de pers werden geïntimideerd. Politieke moorden en bomaanslagen werden een gewoonte, toen er een open oorlog losbrak tussen linkse studenten en arbeiders en rechtse paramilitaire groeperingen, die openlijk door de politie werden gesteund. In augustus 1975 staakte de politie in Bangkok uit protest tegen de al te zachte aanpak van de linkse studenten door de regering en ging ze uitzinnig te keer op de campus van de Thammasat-universiteit. Verschillende hooggeplaatste legerofficieren en conservatieve burgers vormden de ultranationalistische beweging Nawa Phon (Nieuwe Kracht) om "natie-godsdienst-koning" tegen de studenten te verdedigen. Medio 1975 beweerde Nawa Phon al 50.000 leden te tellen. Een groep paramilitaire burgerwachten, de Rode Gaurs (Rode Stieren), recruteerde 25.000 leden, grotendeels werkloze afgestudeerden van vakscholen en studenten van technische hogescholen, om studentenbijeenkomsten te verstoren en stakingen te breken. Aangenomen werd dat de Rode Gaurs door de politie werden georganiseerd als inofficiële hulptroepen. Een andere rechtse groepering met soortgelijke oorsprong waren de Dorpsscouts (Luk Sua Chaoban, letterlijk: Dorpswelpen). Begin 1976 nam de macht van rechts toe, toen de militairen Kukrit tot ontslag dwongen, nadat deze legerofficieren van corruptie had beschuldigd. Het geweld tijdens de verkiezingscampagne in april eiste dertig doden, onder wie Bunsanong Bunyothanyan, de leider van de Socialistische Partij. De nieuwe zetelverdeling in het Huis van Afgevaardigde bracht Seni terug als premier aan het hoofd van een rechtse, uit vier partijen gevormde coalitie. In augustus deed Praphat weer zijn intrede in Thailand en werd hij door de koning ontvangen. Seni verklaarde dat hij geen wettelijke basis had om Praphat het land uit te zetten, maar de aanwezigheid van de vroegere dictator leidde tot grote betogingen die hem uiteindelijk dwongen naar Taiwan terug te keren. De maand daarna was ook Thanom terug in het land, gehuld in een monnikspij en naar eigen zeggen met de bedoeling in een klooster in te treden. Ondanks nieuwe protesten liet de ontmoedigde regering hem in het land. De politieke spanningen tussen linkse en rechtse krachten bereikte een bloedig hoogtepunt in oktober 1976. Op 5 oktober 1976 publiceerden rechtse kranten in Bangkok een foto van betogende studenten in de Thammasat-universiteit, die de wurging en ophanging van twee protesterende studnten door de politie de maand ervoor naspeelden. Later bleek dat de foto getrukeerd was, maar hij liet zien hoe een van de studenten leek op kroonprins Vajiralongkorn, de zoon van de koning. Rechts zag hierin een overduidelijke blijk van majesteitsschennis. Diezelfde avond omsingelde de politie de campus van de Thammasat-universiteit, waar 2000 studenten een zitstaking hielden. Er braken gevechten uit tussen de studenten en de politie (en contingenten van de paramilitaire Grenspolitie). 's Anderendaags bestormden groepjes van Nawa Phon en de Rode Gaurs en "stoottroepen" van de Dorpsscouts de campus en kwam het tot een bloedige aanval waarbij honderden studenten omkwamen en gewond raakten en meer dan 1000 studenten werden gearresteerd. Die avond grepen de militairen de macht, richtten de Nationale Administratieve Hervormingsraad (NARC, National Administrative Reform Council) op en maakten een eind aan Thailands zoveelste democratische experiment.


 

 
 

Kaart van de ASEAN (Association of Southeast Asian Nations)

 



1.8. Militair bestuur en beperkte democratische regering, 1976-1983

Met de steun van de koning en de militaire leden van de Nationale Administratieve Hervormingsraad (NARC, National Administrative Reform Council) werd een nieuwe regering gevormd met als premier Thanin Kraivichien, een vroegere rechter van het Hooggerechtshof, die bekend stond om zijn eerlijkheid en integriteit. Toch vestigde Thanin, een burger en fervent anticommunist, een regime dat in veel opzichten repressiever was dan dat van militaire machthebbers voor hem. Hij legde een strikte censuur op, onderwierp de vakbonden aan strenge controles en zuiverde de ambtenarij en het onderwijs van communisten. Studentenleiders, die door het geweld in oktober 1976 ondergrond waren gegaan, trokken uit de steden weg en sloten zich aan bij communistische rebellen in de buitenprovincies. Door Kraivichiens keiharde bewind en de groeiende overtuiging bij de politieke elite dat universiteitsstudenten, die zelf tot een geprivilegieerde klasse behoorden, wel erg slecht waren behandeld, werd Kraivichien in oktober 1977 vervangen door generaal Kriangsak Chomanand. Kriangsak bleek meer verzoeningsgezind dan zijn voorganger. Hij beloofde een nieuwe grondwet en verkiezingen in 1979. Hij pleegde overleg met gematigde vakbondsleiders en verhoogde het minimumdagloon in de regio Bangkok in 1978 en nog een keer in 1979. Hij liet een beperkte persvrijheid toe en steunde openlijk het idee van landhervormingen, ook al werden er op dat gebied geen maatregelen gepland. In september 1978 verleende hij amnestie aan de 18 dissidenten van Bangkok, die tijdens de gewelddadigheden van oktober 1976 waren opgepakt en door militaire rechtbanken waren berecht. In december 1978 werd een nieuwe grondwet afgekondigd, die voorzag in een tweekamerstelstel, de Nationale Vergadering, die bestond uit het door de bevolking verkozen Huis van Afgevaardigden (301 leden) en de benoemde Senaat (225 leden). De militairen controleerden de benoeming van de senaatsleden en konden initiatieven van het Huis van Afgevaardigden tegenhouden als het ging om belangrijke thema's zoals de nationale veiligheid, de economie, de begroting en moties van wantrouwen. In de grondwet van 1978 stond ook dat de premier en zijn ministers niet door het volk verkozen hoefden te zijn. In april 1979 vonden de geplande verkiezingen plaats. Gematigde rechtse partijen - de Partij voor Sociale Actie, de Partij van de Thaise Burgers en de Chart Thai Party (Partij van de Thaise Natie) - wonnen het grootste aantal parlementszetels, terwijl de Democraten de meeste van hun zetels verloren. In 1979 en 1980 werden er nog hervormingen doorgevoerd toen de economische omstandigheden als voorbode van de tweede oliecrisis verslechterden. De hollende inflatie veroorzaakte een scherpe daling van de levensstandaard in de verstedelijkte gebieden, vooral in Bangkok. Het talmende optreden van de regering en de corruptie in de dorpen blokkeerden maatregelen die bedoeld waren om de boeren te helpen. In 1980 kondigde de regering Kriangsak een plotselinge verhoging aan van de olie-, gas- en elektriciteitsprijzen. Die maatregel lokte verzet uit van verkozen politici en betogingen van studenten en arbeiders vergelijkbaar met die in 1973. Toen het verzet nog uitbreidde, nam Kriangsak ontslag. In maart 1980 werd generaal Prem Tinsulanonda premier met de steun van jonge officieren in het leger en politieke burgerleiders. Toen dan was Prem opperbevelhebber van het leger en minister van defensie geweest.


1.8.1. Prem aan de macht

Prem was een militair, maar toch wilde hij burgers een grotere rol in de regering toebedelen en was hij voorstander van meer stabiele en democratisch politieke instellingen. Hij kreeg de steun van de Democratische Partij en de Partij voor Sociale Actie in het Huis van Afgevaardigden. In tegenstelling tot Kriangsak benoemde hij grotendeels burgers tot leden van zijn kabinet. Hij plukte ook de vruchten van de steun die hij van de koninklijke familie genoot. Dat werd vooral duidelijk in april 1981, toen "jonge onbesuisde" officieren in de hoofdstad een poging tot staatsgreep pleegden. Ze richtten een Revolutionaire Raad op, ontbonden de Nationale Vergadering en beloofden verregaande sociale veranderingen, onder meer landhervormingen. Prem haastte zich naar Khorat, waar de koninklijke familie resideerde. Toen de militaire bevelhebbers buiten Bangkok inzagen dat Prem nog altijd de steun van de koning genoot, boden ze hem hun steun aan. Op 3 april 1981 herstelden trouw gebleven militaire eenheden de orde in Bangkok en arresteerden ze de opstandige officieren na een paar schermutselingen waarbij nauwelijks gewonden vielen. De koning speelde een geringe, maar doorslaggevende politieke rol. Bij de overgang van de militaire dictatuur naar de democratie in 1973 had hij een belangrijke aandeel, maar tussen 1973 en 1976 maakte de koning zich almaar meer zorgen over de veranderingen door het meer geliberaliseerde politieke systeem. Het communisme leek niet alleen een niet te onderschatten bedreiging voor de politiek stabiliteit maar ook voor de koninklijke familie zelf. Dat verklaart de steun van de koning aan extremistische groeperingen zoals de Dorpsscouts steunde, zijn controversiële bezoek aan de voormalige machthebber Thanom in een boeddhistisch klooster aan de vooravond van het geweld in oktober 1976 en zijn steun aan het repressieve anticommunistische bewind van Thanin. Bhumibols steun aan Prem na 1980 wijst er echter ook op dat hij - ook al bleef zijn fundamenteel conservatieve houding ongewijzigd - toch voorstaander was van de ontwikkeling van stabiele parlementaire instellingen waarin de militaire een eerder beperkte en geïnstitutionaliseerde rol speelden. Prem kreeg met zware problemen af te rekenen. Generaal Arthit Kamlangek, onderbevelhebber van de Sectie van het Tweede Leger, speelde een hoofdrol bij de onderdrukking van de poging tot staatsgreep in april 1981. Na de "herovering" van Bangkok werd Arthit voor zijn loyauteit beloond met een benoeming tot bevelhebber van de Sectie van het Eerste Leger, waartoe ook Bangkok behoorde. In oktober 1982 werd hij tot opperbevelhebber van het leger benoemd. Arthit stevende af op nog meer succes en zou wellicht Prem als premier van Thailand opzijschuiven. Prems regering was ernstig verzwakt door de staatsgreep en voortdurende onenigheid tussen de civiele leden van zijn kabinet. Economische problemen wakkerden het publieke ongenoegen over Prem zowel in de steden als op het platteland nog aan. De studenten engageerden zich opnieuw meer politiek, maar het links extremisme uit de periode 1973-1976 leek ver weg. De studenten en arbeiders vereenden hun krachten en protesteerden tegen de verhoging van de buskaartjes in 1982. De regering moest de prijsstijging als gevolg daarvan intrekken. Datzelfde jaar betoogden de boeren met steun van burgerpolitici tegen de verhoging van de rijstprijzen. Toch was Prem begin 1983 de premier die sinds de val van Thanom het langs in functie bleef. De militairen waren begin jaren 80 de machtigste politieke groep, maar de burgerlijke politieke instellingen hadden blijk gegeven van een verrassende vitaliteit. Een van de redenen voor hun sterkte was dat de politieke partijen tot op zekere hoogte de bevolking achter economische en sociale vraagstukken wisten te scharen. Er waren ook aanwijzingen dat de bevolking, vooral in de steden, genoeg hadden van militaire machthebbers en nu stabiele en meer open politieke instellingen wensten. Voor april 1983 werden verkiezingen gepland. De belangrijkste hindernis die nog voor de verkiezingsslag moest worden opgeruimd, was de bijlegging van de verhitte discussie over de "overgangsclausules" in de grondwet van 1978. Die clausules garandeerden de militaire controle op het politieke bestel, maar moesten op 21 april 1983 verstrijken. Als de clausules niet via een grondwetswijziging bekrachtigd, zou het hogerhuis of de Senaat (waarvan de leden allen benoemd waren) niet langer in gemeenschappelijke zitting met het lagerhuis kunnen vergaderen en zou het op die manier veel macht verliezen. Ook regeringsfunctionarissen, met inbegrip van legerofficieren, zouden niet langer van het kabinet deel kunnen uitmaken. En ten slotte zou de structuur van de kiesdistricten drastisch worden gewijzigd. Kleine kiesdistricten waar slechts één parlementslid verkozen werd, zouden worden vervangen door grote kiesdistricten die hele provincies besloegen. De twee eerste wijzigingen waren uiteraard voor de militaire elite moeilijk te verteren. De derde wijziging vervreemdde dan weer de leden van de kleinere politieke partijen, die geloofden dat de oprichting van kiesdistricten die uit één provincie bestonden en waar alleen de winnaar de parlementszetel kreeg, hun vertegenwoordiging in het parlement zou ondermijnen. Die groepen steunden grondwetswijzigingen waarbij de overgangsclausules definitief zouden worden en de conservatieve elementen van de grondwet van 1978 zouden bestendigen. De voorgestelde wijzigingen haalden het echter net niet, toen Chart Thai tegen stemde. Prem bedacht heel snel een compromis door af te kondigen dat de verkiezingen zouden plaatsvinden voordat de overgangsclausules (en het systeem van kleine kiesdistricten) op 21 april verstreken. Tijdens de verkiezingen op 18 april wonnen de grote partijen meer zetels. Er werd een coalitie gevormd van de Partij voor Sociale Actie, de Democratische Partij en de Partij voor Nationale Democratie (Chart Prachathipatai), die een nipte meerderheid had in het lagerhuis (Chart Thai werd van regeringsdeelname uitgesloten, omdat die partij niet door de militairen werd gesteund). Dankzij de aangehouden steun van het leger en zijn imago als boven de partijpolitiek verheven leider werd Prem opnieuw tot premier benoemd.


1.8.2. Buitenlandse betrekkingen, 1977-1983

Vanaf 1977 zocht de Thaise regering onder premier Kriangsak toenadering tot de nieuwe communistische staten van Indochina. In 1978 werden met Laos handelsakkoorden en een transitoakkoord ondertekend. In september 1978 bezocht Pham Van Dong, de Vietnamese premier, Bangkok en beloofde hij dat zijn regering geen communistische opstand in Thailand zou steunen. Schermutselingen langs de Thais-Cambodjaanse grens en aanvallen van Cambodjaanse strijdkrachten op Thaise grensdorpen verstoorden echter nog altijd de relaties met Democratisch Kampuchea, zoals het land van 1975 tot 1979 onder de Rode Khmer heette. De Vietnamese invasie van Cambodja op 25 december 1978 leidde tot een nieuwe crisis met Thailand. Vietnamese troepen veroverden Phnom Penh in januari 1979 en riepen enkele dagen later de Volksrepubliek Kampuchea. Cambodja werd daardoor virtueel een satellietstaat van Vietnam en was niet langer een bufferstaat tussen Vietnam en Thailand.De Thaise en Vietnamese troepen stonden nu oog in oog langs de Thais-Cambodjaanse grens en Vietnamese soldaten drongen herhaaldelijk het Thaise grondgebied binnen.  De Cambodjaanse leider Pol Pot vluchtte met 30.000 Rode Khmers en bijna 10.000 burgers naar de grens met Thailand. Met steun van Thailand, dat hem als buffer tegen de Vietnamezen gebruikte, hielden Pol Pot en de zijnen nog bijna twintig jaar stand in de jungle. Bovendien vormde de stroom van Cambodjaanse vluchtelingen een grote belasting voor Thailand ondanks de noodhulp van andere landen. Thailand stond in de frontlijn tijdens de Cambodjaanse crisis en eiste samen met andere leden van de ASEAN, de Verenigde Staten en China een terugtrekking van de Vietnamese troepen uit Cambodja. In juni 1982 bood de Thaise regering haar steun aan de anti-Vietnamese coalitie van prins Norodom Sihanouk, Khieu Samphan van de Rode Khmer en de niet-communistische leider Son Sann. Een van de onverwachte voordelen van de Cambodjaanse crisis was dan weer de sterke verbetering van de betrekkingen tussen Thailand en China. In 1983 had China zijn steun aan Thaise en andere Zuidoost-Aziatische communistische rebellen drastisch teruggeschroefd als onderdeel van zijn nieuwe beleid voor betere buitenlandse betrekkingen in de regio.


1.9. Gebeurtenissen na 1983

1.9.1. Prem aan de macht

Ondanks betogingen van studenten en boeren werd Prem in april 1983 herbenoemd tot premier. Hij overleefde een poging tot staatsgreep in september 1985 en won de verkiezingen in juli 1986. Na verkiezingen van juli 1988 werd Prem als premier opgevolgd door generaal Chatichai Choonhavan, die een meerpartijencoalitie leidde. De jaren erna werden gekenmerkt door een reeks door militairen geleide kabinetten, hervormingspogingen, pogingen tot staatsgreep, nieuwe verkiezingen en coalitiepartijpolitiek. In de zakenwereld werden hervormingen doorgevoerd en de regering liet meer en meer buitenlandse investeringen toe. Ook de betrekkingen met Cambodja, Laos en Vietnam verbeterden.


1.9.2. Staatsgreep van februari 1991

De vele beschuldigingen van corruptie en machtsmisbruik leidden uiteindelijk tot een geweldloze staatsgreep in februari 1991 waarbij Chatichai door generaal Suchinda Kraprayoon en andere coupleiders aan de dijk werd gezet.


1.9.3. Verkiezingen in 1992 en Suchinda aan de macht

In maart 1992 werden nieuwe verkiezingen gehouden. Met een nieuwe grondwet in de hand werd generaal Suchinda Kraprayoon, een van de coupleiders van februari 1991, de nieuwe premier aan het hoofd van coalitie van vijf partijen. Toen die partijen hun steun introkken, nam Suchinda al in mei 1992 ontslag. Anand Panyarachun, een burger die van maart 1991 tot maart 1992 dienstdoend premier was geweest, werd tot premier benoemd. Anand wilde verdere hervormingen doorvoeren, maar werd al na de verkiezingen van september 1992 vervangen door Chuan Leekpai, de leider van de Democratische Partij (Phak Prachatipat), die aan het hoofd kwam te staan van een vierpartijencoalitie. Chuans regering voerde grondwetswijzingen door waardoor de democratie werd verruimd, het Huis van Afgevaardigden werd uitgebreid, het aantal benoemde Senaatsleden werd verminderd, de stemgerechtigde leeftijd van 20 tot 18 jaar werd teruggebracht, de gelijkheid van mannen en vrouwen werd gewaarborgd en een administratief hof werd ingesteld. In januari 1985 veroverde de Partij van de Thaise Natie (Phak Chat Thai) het grootste aantal zetels in het Huis van Afgevaardigden. Banharn Silapa-Archa, de leider van Phak Chat Thai, kwam aan het hoofd van de nieuwe coalitieregering te staan. In maart 1996 benoemde Banharn de nieuwe leden van de Senaat. In tegenstelling tot vroeger waren de meeste senatoren nu burger in plaats van militair. Banharns coalitie liep op de klippen. Na nieuwe verkiezingen kwam er in november 1996 een nieuwe zespartijenregering, geleid door generaal Chavalit Yongchaiyudh, leider van de Phak Khwam Wang Mai (Partij van Nieuwe Aspiraties). Ondanks de economische expertise van zijn kabinet slaagde Chavalit er niet in het strenge fiscale beleid in praktijk te brengen dat voor een heropleving van de verzwakte Thaise economie nodig was. Medio 1997 brak een grote financiële crisis uit, toen de baht werd gedevalueerd, de gouverneur van de Thaise Centrale Bank opstapte en het overal tot protesten kwam. De regering kondigde besparingsmaatregelen aan, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) kwam tussenbeide, maar de economie bleef achteruitgaan. Ondanks de nieuwe, in oktober 1997 afgekondigde grondwet nam het vertrouwen in Chavalit verder af. Na de verkiezingen in november 1997 werd Chuan Leekpai opnieuw premier aan het hoofd van een uit zeven partijen bestaande coalitieregering. Deze wissel van verkozen premiers zonder militaire interventie was een doorbraak in de democratische ontwikkeling van Thailand. De baht bleef in waarde verminderen en de sociale onrust nam toe. In de zomer van 1998 was de economie stabieler geworden, maar onderzoek van bankpraktijken bracht wanbeheer en onregelmatigheden aan het licht. Met steun van het IMF herwon Thailand geleidelijk zijn macro-economische stabiliteit.


1.9.4. Thaksin aan de macht

In 2002 werden voor het eerst senaatsverkiezingen gehouden. In januari 2001 veroverde een enkele partij, Phak Thai Rak Thai (de Partij "Thais houden van Thais"), de absolute meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. Wegens de vele beschuldigingen van onwettige verkiezingspraktijken werden in februari 2001 in sommige verkiezingsdistricten nieuwe verkiezingen gehouden. Thai Rak Thai was na de verkiezingen in januari met een andere partij samengesmolten en veroverde opnieuw een absolute meerderheid. Toch werd een coalitieregering opgericht, samen met de Partij van Nieuwe Aspiraties en de Partij van de Thaise Natie (Chat Thai). Thaksin Shinawatra (Shinnawat), een luitenant-kolonel van politie, werd premier. Thai Rak Thai werd nog sterker in 2002, toen de partij veel leden van de Partij van Nieuwe Aspiraties opnamen. Thaksin wilde verschillende problemen drastisch aanpakken. Hij lanceerde onder meer een grote antidrugscampagne. Gedurende een operatie van drie maanden, die in april 2003 ten einde liep, werden 2.275 mensen omgebracht. De regering beweerde dat ze Thailands drugsproblemen voor 90% had uitgeroeid. In oktober 2004 lanceerde de regering een tweede antidrugscampagne. Een ander ernstig probleem was het terroristische geweld, vooral in het zuiden van het land. In 2002 werden verschillende politieofficieren vermoord en werden er bomaanslagen gepleegd, terwijl de minister van binnenlandse zaken door het bewuste gebied rondreisde. In vijf scholen werd brand gesticht. Volgens het Thaise leger waren die gewelddadige acties het werk van een groep van Al Qaeda. Vermoedelijke leden van de islamitische terreurbeweging Jemaah Islamiah werden in juni 2003 opgepakt en bekenden dat ze aanslagen op ambassades in Bangkok en in toeristenoorden beraamden. Er werden nog meer bomaanslagen en brandstichtingen gepleegd en aanvallen op politiebureaus en een legerbasis in Narathiwat in januari 2004 verhoogden alleen maar de terroristische dreiging. Alleen al in 2004 kwamen meer dan 500 mensen om door terroristisch geweld in het zuiden van Thailand. Bij een tsunami die op 26 december 2004 de Andamanse kust teisterde, kwamen meer dan 5.300 Thais en buitenlanders om het leven en bleven 2.900 mensen vermist. Tijdens de verkiezingen van februari 2005 won Thai Rak Thai 75% van de zetels in het Huis van Afgevaardigden. Voor de eerste keer werd een uit één enkele partij bestaand kabinet gevormd. Thaksin bleef aan als premier. Zijn stemmenverlies in het zuiden van het land wierp echter een smet op zijn overwinning. Meteen na de verkiezingen kondigde Thaksin een keiharde aanpak van moslimmilitanten in het zuiden aan. Dorpen die verdacht werden van hulp aan de militanten en die nauwelijks met de regering wilden meewerken, werden als "rood" geclassificeerd en kregen niet langer subsidies uit het SML (Small, Medium, Large) Village Fund, een kredietlijn voor kleine, middelgrote en grote dorpen bedoeld om het ondernemerschap aan te moedigen. Dorpen met "gemiddelde" steun aan de moslimrebellen kregen een "oranje" etiket en zij die vrij waren van moslimopstandelingen een "groen". Van de 1.580 dorpen in het zuiden van Thailand waren er 358 rood (waarvan 200 alleen al in de provincie Narathiwat), 200 orangje en 1.000 groen. Deze aanpak was geïnspireerd op dat van de Thaise overheid in de jaren 70 tegen de communisten in het noordoosten van het land. In tegenstelling to Thaksin had men communistische gebieden toen net meer steun gegeven om de linkse ideologie af te wenden en het hart van de lokale bevolking te veroveren. Thaksins aanpak en overduidelijke overtreding van de grondwet lokten een storm van protest uit van de media, de samenleving en de politieke oppositie. Een groep academici die zichzelf het Netwerk voor Eensgezindheid en een Vreedzame Aanpak noemde, riep de premier op zijn gevaarlijke aanpak te herzien. Zelfs generaal Surayud Chulanont, vroegere opperbevelhebber van de strijdkrachten, vreesde nog meer instabiliteit in het islamitische zuiden van Thailand. Nauwelijks een week na de bekendmaking van het nieuwe beleid besliste Thaksin de twee kamers van het parlement in gemeenschappelijke zitting bij elkaar te roepen om de problemen in het zuiden te bespreken. De kritiek op zijn beleid miste blijkbaar zijn uitwerking niet. Tijdens de huidige democratische periode in Thailand was het parlement slechts twee keer in gemeenschappelijke zitting bijeengekomen: tijdens de crisis in mei 1992 en tijdens de financiële crisis in 1997. Toch liet het zich aanzien dat Thaksin, die zich in zijn strijd tegen het moslimterrorisme en de drugs met de Amerikaanse president Bush vergelijkt, verder zal kiezen voor een hard optreden.
Thaksin Shinawatra werd geboren op 26 juli 1949 in Sankamphaeng (Chiang Mai). Hij studeerde af aan de Thaise Politieacademie en ging in 1973 aan de slag bij de Thaise politie. In 1978 doctoreerde hij in strafrecht aan de Sam Houston State University in de Verenigde Staten. Hij maakte bij de Thaise politie carrière en schopt het tot Deputy Superintendent (onderdirecteur) van de Policy and Planning Subdivision, General Staff Division, van de politie van Bangkok. In 1987 verliet Thaksin de politie en richtte hij de Shinawatra Computer and Communications Group op. Een van de onderdelen van dat concern, Shinawatra Paging, is momenteel bekend als AIS (Advanced Info Service), de grootste gsm-maatschappij van Thailand. In 1990 deed Thaksin met succes een gewaagd overnamebod van 20 miljard baht voor een 20-jarige concessie van de Telephone Organisation of Thailand. Hij begon zijn politieke carrière in 1994 als minister van buitenlandse zaken voor de Palang Dharma Partij en beloofde de politiek te zuiveren. Daarna was hij korte tijd vicepremier en leider van de Palang Dharma Partij, maar in 1997 viel de partij uit elkaar. In 1998 richtte Thaksin zijn eigen partij Thai Rak Thai (Thais houden van Thais) op en beloofde hij opnieuw maatregelen om de corruptie in te dijken. In januari 2001 werd hij premier van Thailand. Hij zag echter geen graten in het vermengen van zakenbelangen en staatsbelang. Tijdens zijn staatsbezoeken aan China en India sloot Shinsat, een divisie van het concern van de familie Shinawatra, contracten met de respectieve autoriteiten. In 2001 werd hij weliswaar vervolgd maar niet veroordeeld wegens het verheimelijken van zijn financiële belangen. Thaksin beet van zich af en beweerde "dat hij zich niet van de wet bewust was geweest" en dat hij "zich eerlijk vergist had". Dat zou hij later ook beweren na het schandaal rond het frauduleuze eindexamen van zijn zoon Panthongtae Shinawatra. Als hij was veroordeeld, had hij vijf jaar lang geen politieke ambten meer mogen uitoefenen. Thaksins regering was populistisch en besteedde veel geld aan goedkope leningen voor de boeren en aan een gesubsidieerde gezondheidszorg. Ondanks de zware kritiek op Thaksin en TRT en hun efficiënte marketing- en mediatactiek kan niet worden ontkend, dat ze hun verkiezingsbeloften ook daadwerkelijk uitvoerden. Op haar hoogtepunt telde de Thai Rak Thai van Thaksin niet minder dan 14 miljoen leden. Burgerrechtenorganisaties hadden scherpe kritiek op zijn aanpak van de drugsdealers in 2003, waarbij minstens 2500 verdachten standrechtelijk werden geëxecuteerd, ook al beweerde de regering dat veel sterfgevallen het gevolg waren van afrekeningen tussen drugsbenden en smokkelaars. Thaksins keiharde aanpak van de moslimterroristen in het zuiden van het land had een averechts effect. In oktober 2004 kwamen 85 betogers om, wat een golf van bomaanslagen en de onthoofding van boeddhistische lokale prominenten uitlokte. Thaksin bezondigde zich ook aan nepotisme, want hij bevoordeelde familieleden en zakenrelaties bij benoemingen voor overheidsfuncties. Zo bombardeerde hij generaal Chaiyasit Shinawatra, een neef van hem uit een afgelegen district, tot legerleider. In december 2005 lanceerde de mediamagnaat Sonthi Limthongkul een anti-Thaksincampagne, onderbouwd met beschuldigingen van corruptie en immoreel gedrag. De belastingvrije verkoop in januari 2006 van het aandeel van Thaksins familie in de Shin Corporation voor een bedrag van 1,5 miljard euro wakkerde de gevoelens tegen de clan van Thaksin nog verder aan. Na massale betogingen in Bangkok schreef Thaksin in februari 2006 vervroegde verkiezingen uit. Die vonden plaats op 2 april 2006 maar werden door de oppositiepartijen geboycot. Thaksin kreeg een meerderheid van geldig uitgebrachte stemmen, maar veel stemmen waren blanco. Op 4 april 2006 trad hij af als premier, maar bleef hij als waarnemend premier in functie. In mei 2006 vonniste het Hooggerechtshof dat verkiezingen ongrondwettig waren. De nieuwe Thaise kieswet vereiste trouwens dat politieke partijen minstens 5% van de stemmen moesten behalen om kans te maken op een parlementszetel. Alleen de Democratische Partij wist enigszins tegen de almachtige Thai Rak Thai op te botsen. In het zuiden van het land veroverde Thaksins TRT-partij trouwens maar één van de vijf zetels, die van Phang Nga, een provincie die zwaar had geleden onder de tsunami van december 2004. De Democratische Partij won ook in 52 kiesdistricten in het zuiden van Thailand en veroverde onder meer tien van de elf parlementszetels in drie islamitische provincies in het uiterste zuiden van het land. Tijdens het bewind van Thaksin kwam ook de persvrijheid in het gedrang. In Thailand heerste een vrij grote persvrijheid. Kranten en televisiestations brachten vaak kritisch verslag uit over de machthebbers. Tijdens de verkiezingen kocht Thaksin ITV, Thailands enige onafhankelijke televisieomroep, op, nadat enkele journalisten van ITV zeer kritisch over hem hadden bericht. Na de overname werden die journalisten meteen ontslagen. Thaksin nam ook kranten over of hij dreigde met peperdure processen of de intrekking van de reclame van bedrijven uit zijn familie of van zijn zakelijke relaties. Als gevolg daarvan werd er - met uitzondering van de Engelstalige kranten The Bangkok Post en The Nation - geen openlijke kritiek meer op de regering geleverd. Thaksin staat ook bekend om zijn tactloze uitspraken. Op de Dag van de Grondwet in december 2003 verklaarde Thaksin zonder blikken of blozen: "Democratie is een goed en mooi ding, maar niet het einddoel. Democratie is niet meer dan een hulpmiddel. Het doel bestaat erin de mensen een goed leven, geluk en nationale vooruitgang te geven." Bij de islamitische aanslagen op scholen en een militair kamp in het zuiden van het land op 4 januari 2004 kwamen vier militairen om het leven. Woedend verklaarde Thaksin voor de camera dat de militairen het verdiend hadden te sterven, omdat ze zich door bandieten onder de voet hadden laten lopen. De dag erna zei hij dat hij verkeerd begrepen was. Als noordelijke Thai kon hij zich moeilijk in de Centraal-Thaise taal uitdrukken, beweerde hij. Hij bedoelde niet dat de militairen het verdiend hadden te sterven, maar gestraft te worden. Op 6 januari 2004 verscheen in de International Herald Tribune een artikel van Philip Bowring waarin hij kritiek leverde op het door Thaksin gevoerde beleid. In een commentaar op dat artikel beschreef Thaksin de journalist in het Thai als een dorpsidioot. Volgens Thaksin moest men niet iedereen geloven die een een stukje in een krant kan schrijven en was het artikel niet gefundeerd. Niet-gouvernementele organisaties, mensenrechtenorganisaties, milieugroeperingen en plattelandscollectieven werden vaak afgeschilderd als subversief, antisociaal, onpatriottisch en agenten van het westen. Zowel Human Rights Watch als Amnesty International kwamen na Thaksins eerste ambtstermijn als premier tot de conclusie dat de manier waarop de Thaise overheid met de mensenrechten omging, aanleiding gaf tot grote bezorgdheid.



1.9.5. Staatsgreep van september 2006

Op dinsdag, 19 september 2006, pleegde het Thaise leger een staatsgreep tegen de regering van premier Thaksin Shinawatra. De vorige coup dateerde van vijftien jaar geleden. De staatsgreep maakte een eind aan een politieke crisis die al een jaar aanhield en waarbij premier Thaksin en politieke tegenstanders betrokken waren, minder dan een maand voor de geplande verkiezingen van het Huis van Afgevaardigden. De militairen schrapten die verkiezingen, schortten de grondwet op, ontbonden het parlement, verboden alle protest en politieke activiteiten, onderdrukten en censureerden de media, riepen de staat van beleg uit en arresteerden leden van de regering Thaksin. De staatsgreep verliep geweldloos. Sommige landen, waaronder Australië, reageerden negatief, andere landen, onder meer China, hielden zich op de vlakte. De Verenigde Staten, voor wie Thailand een belangrijke, niet tot de NAVO behorende bondgenoot is, verklaarden dat ze "ontgoocheld waren" en de staatsgreep "niet gerechtvaardigd was". De nieuwe bewindvoerders noemden zichzelf de Raad voor Democratische Hervorming (CDR, Council for Democratic Reform). Op 21 september 2006 maakten ze bekend waarom ze de staatsgreep hadden gepleegd en beloofden ze dat binnen het jaar een democratische regering zou worden gevormd. De Raad kondigde echter ook aan dat hij na de verkiezingen en de vorming van een democratische regering in een permanente Raad van Nationale Veiligheid zou worden omgevormd. Over de toekomstig rol van die nieuwe raad werd niets gezegd. Later stelde de militaire junta een interimgrondwet op en benoemde hij generaal Surayud Chulanont tot premier.


1.9.5.1. Gebeurtenissen

De staatsgreep volgde na maandenlange geruchten over onrust bij de strijdkrachten en mogelijke complotten. In mei 2006 verzekerde generaal Sonthi Boonyaratglin nog dat het leger niet zou ingrijpen, nadat geruchten over een mogelijke militaire staatsgreep de ronde begonnen te doen. Op 20 juli 2006 werden ongeveer honderd middelhoge legerofficieren die naar verluidt aanhangers van Thaksin waren, door het oppercommando van het leger overgeplaatst. Dat voedde nog meer de geruchten dat het leger nu in twee kampen gesplitst was: aanhangers en tegenstanders van de premier. In augustus 2006 werden tankbewegingen vlakbij Bangkok gemeld, maar volgens het leger maakten die deel uit van een sinds lang geplande oefening. Begin september arresteerde de Thaise politie vijf legerofficieren die allemaal lid waren van de anti-oproertroepen. Een van de officieren werd onderschept met een bom in een auto, naar verluidt bedoeld voor de ambtswoning van de premier. Drie verdachten werden na de staatsgreep weer vrijgelaten.
Op de avond van 19 september 2006 gooide het Thaise leger de verkozen regering van premier Thaksin Shinawatra omver. De premier was op dat ogenblik in New York voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Om 18.30 uur vertrokken speciale troepen van het leger van de provincie Lopburi naar Bangkok. Prem Tinsulanonda, voorzitter van de Civiele Lijst, was op audiëntie bij koning Bhumibol voor de voorbereiding van een ceremonie ter onderscheiding van Bua Kitiyakara. Om 21.00 uur kwamen de speciale troepen in Bangkok aan. Rond 21.30 uur staakte Channel 5, een televisiezender in handen van het leger, de normale uitzendingen en zond hij alleen nog liederen uit die de koning had gecomponeerd. Al gauw deden geruchten de ronde dat het leger Chitchai Wannasathit, de vicepremier bevoegd voor de nationale veiligheid, en Thammarak Isaragura na Ayuthaya, de minister van defensie, had gearresteerd. Thaksins zoon zou het land ontvlucht zijn. Kort daarna gingen zenders van de nationale radio, de Thaise televisie, de kabeltelevisie en enkele satellietzenders uit de ether. Om 21.40 uur arriveerden politiecommando's bij de ambtswoning van Thaksin. Tanks van het leger namen overal in Bangkok posities in. Om 22.20 uur riep Thaksin uit New York per telefoon de noodtoestand uit. Hij ontsloeg generaal Sonthi Boonyaratglin als legerbevelhebber en gaf hem een functie bij de kanselarij van de premier. Hij gaf opperbevelhebber generaal Ruangroj Mahasaranon opdracht de crisis op te lossen. Om 23.00 uur kondigde Thawinan Khongkran, Miss Azië 1987 en hoofd van de Dienst Public Relations van Channel 5 (een televisiezender van het leger), op tv aan dat eenheden van leger en politie Bangkok en omgeving nu onder controle hadden. De junta, die aanvankelijk Raad voor Democratische Hervorming onder de Constitutionele Monarchie (CDRM, Council for Democratic Reform under Constitutional Monarchy) heette, koos later voor de naam Raad voor Democratische Hervorming om te vermijden dat men zou denken dat de koning een rol speelde in de staatsgreep. Om 23.50 uur maakte de CDR in een tweede verklaring bekend waarom hij de staatsgreep had gepleegd. Hij verklaarde "nog eens te willen bevestigen dat hij geenszins de bedoeling had het land te willen besturen". De raad beloofde de koning als staatshoofd te willen behouden en de bestuurlijke macht "zo spoedig mogelijk" aan het Thaise volk terug te zullen geven. Buitenlandse nieuwszenders zoals BBC World, CNN, CNBC en Bloomberg Television waren uit de ether gehaald, maar buitenlandse zenders in Bangkok werden ongemoeid gelaten. Ook de telecommunicatienetwerken (telefoon en internet) bleven werken. Het leger riep voor het hele land de staat van beleg uit, beval alle soldaten terug te keren naar hun kazerne en verbood alle troepenbewegingen waartoe de CDR niet de toestemming had gegeven. Op de televisie zag men zwaar bewapende troepen in gepantserde M113-troepentransportwagens en legervoertuigen van het type M998 HMMWV in de straten van Bangkok. Veel soldaten en militaire voertuigen droegen gele linten als symbool van hun trouw aan de koning. Geel is immers de kleur van de Thaise koning. Sonthi Boonyaratglin, de juntaleider, bevestigde dat Chitchai Wannasathit, de vicepremier, en Thammarak Isaragura na Ayuthaya, de minister van defensie, gearresteerd waren. Hoge ambtenaren kregen opdracht zich bij de Raad voor Democratische Hervorming te melden. De overheidsdiensten en banken bleven op 20 september gesloten voor het publiek. Enkele uren nadat het nieuws over de staatsgreep zich verspreidde, meldde BBC News dat de coupleider later die dag de koning zou ontmoeten, maar toen was het nog niet duidelijk welk standpunt koning Bhumibol innam.
Op woensdag, 20 september 2006, om 00.39 uur, schortte de Raad voor Democratische Hervorming de grondwet op en ontbond hij de regering, het Huis van Afgevaardigden, de Senaat en het Grondwettelijk Hof. Om 01.30 uur kwam het bericht dat premier Thaksin zijn toespraak voor de Verenigde Naties geannuleerd had. In zijn hotel in New York zag de premier op de televisie hoe hij aan de dijk werd gezet. Volgens Tom Kruesopon, een lid van Thai Rak Thai en een raadgever van Thaksin, "had de premier de macht nog niet afgestaan en zocht hij ook geen politiek asiel". Om 09.16 uur deelde generaal Sonthi Boonyaratglin tijdens een persconferentie voor de televisie mee dat het leger noodgedwongen de macht had gegrepen omwille van de nationale eenheid na de maandenlange politieke beroering. Hij verklaarde: "We hebben de macht gegrepen. De grondwet is opgeschort en de Senaat, het Huis van Afgevaardigden, het kabinet en het Grondwettelijke Hof zijn ontbonden. We zijn het erover eens dat de demissionaire premier een kloof zonder voorgaande in de samenleving heeft veroorzaakt, zich bezondigde aan grootschalige corruptie en nepotisme en zich inliet met onafhankelijke instanties, waardoor deze niet langer konden functioneren. Als we de demissionaire regering verder laten regeren, brengt dat het land schade toe. Het kabinet heeft ook herhaaldelijk de koning beledigd. De Raad kon dus niet anders dan de macht grijpen om de situatie onder controle te brengen, de openbare orde te herstellen en zo spoedig mogelijk eenheid te scheppen." Toch kloppen die beschuldigingen niet helemaal. Uit een onderzoek van de Wereldbank in 2006 bleek Thailand onder het bewind van Thaksin van 2002 tot 2005 beter de corruptie onder controle gekregen te hebben. Kort na Sonthi's mededeling hernamen de Thaise televisie-uitzendingen, maar de kabelzenders slechts ten dele. Grote buitenlandse zenders zoals CNN, BBC, CNBC, NHK en Bloomberg bleven echter uit de ether. Om 12.14 uur eisten de coupplegers de medewerking van de massamedia en later verzochten ze het Ministerie van informatie en communicatietechnologie alle media-informatie tegen te houden die mogelijk nadelig was voor de voorlopige militaire raad. Om 14.50 uur werd de grondwet van 1997 - ook bekend als de Grondwet van het Volk - van de website van de Nationale Vergadering van Thailand gehaald. De grenzen met Myanmar en Laos gingen enkele dagen dicht. Tijdens een interview in New York net voor zijn vertrek naar Londen samen met vicepremier Surakiart Sathirathai, woordvoerder Surapong Suebwonglee en zijn persoonlijke assistent, Padung Limcharoenrat, verklaarde Thaksin Shinawatra: "Dit had ik niet verwacht. Ik kwam hier als premier aan en ga nu als man zonder werk weg. Het geeft niet dat niemand werk voor me heeft. Ik heb me opgegeven als vrijwilliger, maar ze willen me geen job geven. Het maakt niets uit." Thaksin werd naar zijn huis in Kensington geëscorteerd. Daar ontmoette hij zijn dochter Pinthongta, die in Londen studeert. Volgens een woordvoerster van Buitenlandse Zaken was Thaksins reis naar Londen een privé-bezoek. Om 15.35 uur deelde Sonthi Boonyaratglin, de leider van de junta, mee dat het leger niet zinnens was het privé-vermogen van Thaksin aan te slaan en de aandelen van de Shin Corporation van Temasek Holdings terug te eisen. Begin 2006 had Thaksin de aandelen van zijn familie in de Shin Corporation aan Temasek verkocht. Om 20.17 uur maakte generaal Sonthi in een televisietoespraak bekend dat koning Bhumibol hem als leider van de interimregeringsraad zijn steun had toegezegd. Hij beloofde opnieuw dat hij binnen het jaar de democratie in Thailand zou herstellen. Later die avond deelde een woordvoerder van de CDR (Raad voor Democratische Hervorming) mee dat de koning bij koninklijk decreet generaal Sonthi tot voorzitter van de CDR had aangesteld. In een dertiende bekendmaking verklaarde de CDR dat het nog maar nieuw verkozen Verkiezingscomité in functie bleef. De CDR kondigde een zevende bevel af en bracht de regeringsverantwoordelijkheid in vier afdelingen onder: de Raad voor Democratische Hervorming (CDR), het Secretariaat, de Raadgevende Afdeling en de Afdeling voor Speciale Aangelegenheden.
Dinsdagavond rond 21.30 uur werden de dossiers en documenten in verband met het onderzoek naar de op 24 augustus 2006 geplande bomaanslag op Thaksin weggehaald uit de Afdeling voor de Beteugeling van de Misdaad (Crime Suppression Division, CSD). Politieambtenaren die trouw waren gebleven aan de onderdirecteur van de politie, generaal van politie Priewphan Damapong (broer van Khunying Potjaman, de vrouw van de afgezette Thaksin), laadden aanvalswapens van de CSD in voertuigen en vertrokken naar een onbekende bestemming. 's Middags ontbood de coupleider, generaal Sonthi, de directeurs van de mediabedrijven in het hoofdkwartier van het leger. Hij deelde mee dat de media niet langer de standpunten van de publieke opinie over de militaire staatsgreep mochten publiceren. Het leger zette die stap nadat het de media aan een strikte controle onderwierp. Alle informatie die volgens de militairen schadelijk kon zijn, zou worden tegengehouden. De legerfunctionaris zei dat de normale televisieprogrammering zou hernemen, maar de raad zou vanaf 11.00 uur zelf om de twee uur via de televisie mededelingen uitzenden. Soldaten en tanks van het leger begonnen zich van hun strategische posities bij regeringsgebouwen terug te trekken. Tot donderdag bleven er nog vier van de tien tanks bij het regeringshoofdkwartier staan. Het aantal gewapende soldaten dat daar de wacht hield, werd verminderd. Luitenant Romklao Thuwatham verklaarde: "We houden nu nog maar twee compagnieën, 50 tot 60 soldaten, klaar bij het regeringshoofdkwartier, maar over de totale terugtrekking beslist de legerbevelhebber, want we vertrouwen de situatie nog niet helemaal." De coupleider gaf twee andere topmedewerkers van de afgezette premier Thaksin, Newin Chidchob, als minister aan de kanselarij van de premier verbonden, en Yongyuth Tiyapairat, minister van natuurlijke rijkdommen en milieu, opdracht zich bij bij de Raad voor Democratische Hervorming in het hoofdkwartier van het leger aan te melden. Somkid Jatusripitak, de afgezette vicepremier, kwam terug uit Frankrijk en landde op de internationale luchthaven van Don Muang. De gecharterde jet van Thai Airways die premier Thaksin naar New York en later naar London had gebracht, werd naar de militaire luchthaven van Don Muang afgeleid. Aan boord waren zowat twintig leden van de persdienst en lage functionarissen die waren meegereisd. Tien zwaarbewapende commando's omsingelden meteen het toestel en inspecteerden het. Alle passagiers werden na het afstempelen van hun paspoort vrijgelaten. De afgezette premier Thaksin riep op tot nieuwe, vervroegde verkiezingen in Thailand, bevestigde dat hij zich uit de politiek terugtrok en drong aan op "nationale verzoening" na de staatsgreep in Bangkok. Hij verklaarde dat hij zich nu zou wijden aan ontwikkelingswerk en misschien aan liefdadig werk. De krant The Nation meldde dat generaal Sonthi Boonyaratglin nog voor de coup Prin Suwannathat, bevelhebber van de Eerste Infanteriedivisie en klasgenoot van Thaksin, voor de keuze stelde. Toen Sonthi hem zei: "We hebben een consensus voor een staatsgreep. Wat is jouw houding?", zou Prin geantwoord hebben: "Het hangt allemaal van jullie af." Daardoor gaf hij eigenlijk vrije baan voor een geweldloze staatsgreep, zonder dat de Thaksin-gezinde troepen zich zouden verzetten.



1.9.5.2. Politieke situatie

Op woensdag, 20 september 2006, verklaarde generaal Sonthi Boonyaratglin dat de afgezette premier Thaksin naar zijn land mocht terugkeren, maar wellicht strafrechtelijk zou worden vervolgd. Premier Surayud Chulanont waarschuwde echter voor een al te snelle terugkeer van Thaksin, want hij vreesde botsingen tussen aanhangers en tegenstanders van Thaksin op de dag dat die zou terugkeren. Vicepremier Surakiart Sathirathai nam samen met Thaksin aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York deel, toen de staatsgreep zich voltrok. Surakiart was kandidaat om Kofi Annan, secretaris-generaal van de VN, op te volgen. De nieuwe bewindhebbers bleven zijn kandidatuur steunen. Thanong Bidaya, de minister van financiën, bleef in Singapore, waar hij een jaarlijkse vergadering van de Wereldbank bijwoonde. Somkid Jatusripitak, de minister van handel, bleef eerst in Parijs maar vloog op donderdag, 21 september 2006, naaar Bangkok terug. Kantathi Suphamongkhon vloog van Parijs, waar hij de Thais-Franse Culturele Tentoonstelling onder het voorzitterschap van princes Sirindhorn bijwoonde, naar Londen. Sudarat Keyuraphan, de minister van landbouw, was naar verluidt met zijn gezin naar Parijs gevlucht. Kongsak Wantana, de vroegere minister van binnenlandse zaken en bestuurder van Thai Rak Thai, vluchtte naar Duitsland. Chitchai Wannasathit, de vicepremier bevoegd voor de binnenlandse veiligheid, werd meteen na de coup gearresteerd. Thammarak Isaragura na Ayuthaya, de minister van defensie, was ondergedoken. Naar verluidt waren verschillende hooggeplaatste partijleden van Thaksin nog altijd in het land, maar waren ze nog niet door de junta opgepakt.
De junta zorgde ervoor dat de ambtenaren die door de regering Thaksin waren benoemd en vroegere studiegenoten van Thaksin in de Armed Forces Preparatory School werden afgezet. Verschillende legerofficieren werden naar onbelangrijke posten overgeplaatst. Ook 18 hogere politieofficieren werden ontslagen, want de junta beweerde dat zij een gevaar voor de nationale veiligheid inhielden, als zij op hun huidige post bleven. Op 20 september 2006 bevestigde de junta dat ingevolge de afschaffing van de grondwet het Grondwettelijk Hof en andere onafhankelijke instanties automatisch werden ontbonden. Auditeur-generaal Jaruvan Maintaka behield evenwel haar positie. Surasit Sangkhapong, directeur van de Staatsloterij en een medewerker van Thaksin, nam ontslag zodat auditeur-generaal Jaruvan Maintaka een onderzoek zou kunnen instellen naar vermeende onregelmatigheden.
De junta regeert op basis van officiële mededelingen. In een van de eerste mededelingen riep zij de media op haar volledige naam te vermelden, namelijk Raad voor Democratische Hervorming onder de Constitutionele Monarchie in plaats van alleen maar Raad voor Democratische Hervorming. Later kortte de junta formeel haar Engelse - niet haar Thaise - naam in tot Council for Democratic Reform (Raad voor Democratische Hervorming) om zo de vermoedens over een mogelijke rol van de koning bij de staatsgreep te vermijden.
In de 11de officiële mededeling maakte het militaire regime zijn samenstelling bekend. Alle geledingen van de Thaise strijdkrachten en de Thaise politie zijn daarin vertegenwoordigd. De junta stelde 58 prominente ambtenaren tot adviseur aan, maar de meesten van hen bedankten voor die eer.



1.9.5.3. Interim-grondwet

Op 27 september 2006 werd een ontwerp van interim-grondwet afgekondigd. Dat ontwerp leek sterk op de grondwetten van 1991 en 1976 en op het charter van 1959 en verleende uitgebreide bevoegdheden aan de uitvoerende macht. De Raad voor Democratische Hervorming zou worden omgevormd in een Nationale Veiligheidsraad (Council for National Security, CNS), die alle ministers en ontwerpers van een nieuwe definitieve grondwet zou aanwijzen.


1.9.5.4. Nationale reacties

[Volgt nog.]


1.9.5.5. Internationale reacties

[Volgt nog.]


1.9.5.6. Economische gevolgen

[Volgt nog.]


    Terug naar inhoudstafel

    Site search Web search


    Laatste wijziging: 30 juli 2008
    Samenstelling: Luc Ockers
    © Thais-Vlaamse Vriendenkring - All rights reserved.