Er is weinig bekend over de eerste bewoners van het huidige
Thailand, maar uit recente archeologische vondsten in het noordoosten van
Thailand blijkt dat men daar al 4.000 tot 5.000 jaar geleden rijst moet hebben verbouwd en
brons moet hebben gegoten. Aan het begin van de moderne tijdrekening heersten
verschillende stammen over Thailand. De Mon en de Khmer stichtten machtige
koninkrijken en heersten over grote delen van het land. Door hun contacten met
andere Zuid-Aziatische volkeren namen ze de religieuze, sociale, politieke en
culturele stromingen en instellingen van hen over. Dat gedachtegoed en die
structuren beïnvloedden in sterke mate de ontwikkeling van zowel de cultuur als de
nationale identiteit van Thailand. De Tai - niet te verwarren met Thai - waren
een volk dat oorspronkelijk in Zuidwest-China woonde en gespreid over
verschillende eeuwen naar Zuidoost-Azië migreerde. Het eerste spoor van hun
aanwezigheid in dit gebied zijn de uit de 12de eeuw daterende opschriften in het Khmer-tempelcomplex van Angkor
Wat in het huidige Cambodja. Daarin wordt verwezen naar de syam of donkerbruine
mensen. Het woord komt misschien van het Sanskriet-woord shyama, dat
goudbruin of getaand betekent en verwijst naar de donkere huidskleur van de Tai.
Volgens andere bronnen zou siam staan voor
vrij of zou het een Portugese verbastering van het Chinese
woord Xian zijn. In Noordwest-Thailand en Myanmar sprak men Syam trouwens
als Shan uit. James Lancaster, een Engelse koopman, zette in 1592 de
eerste Engelse transliteratie van Siam op papier. Tijdens de
Khmer-periode waren de Syam vazallen van de Khmer-koning. In 1238 scheurde een
hoofdman van de Tai zich van de Khmer af en vestigde hij een onafhankelijk
koninkrijk in Sukhothai, in de brede vallei van de rivier Chao Phraya, in het
midden van het hedendaagse Thailand. In de 14de eeuw werd Sukhothai opgevolgd
door het koninkrijk Ayutthaya. De Birmanen vielen dat koninkrijk binnen en
verwoestten in 1767 de hoofdstad. Taksin en Chakri, twee nationale helden van
Thailand, verdreven de invallers korte tijd later en herenigden het land onder
de Chakri-dynastie. In de eeuwen erna kreeg de Thaise nationale identiteit
almaar concreter vorm. Er kwamen een gemeenschappelijke taal en godsdienst en
ook de monarchie werd een vaste instelling. De inwoners van Thailand vormen een
mengeling van Tai, Mon, Khmer en andere etnische groepen, maar toch spreken de
meesten een taal die behoort tot de taalfamilie van het Tai. Begin 14de eeuw
werd een op Indische en Khmer-lettertekens gebaseerd alfabet voor het Tai
ontwikkeld. Later diezelfde eeuw maakte Ramathibodi, een befaamde koning, van
het theravadaboeddhisme de staatsgodsdienst. Tot op vandaag heeft het boeddhisme
een belangrijke invloed op het sociale, culturele en politieke leven in de
Thaise natie. Gesteund door de hindoeïstische en boeddhistische mythologie bleef
de monarchie meer dan zeven eeuwen heel populair. Ook op het eind van de 20ste
eeuw was de monarchie nog altijd van essentieel belang voor de nationale
eenheid. Tijdens de 20ste eeuw vormden niet Thailands traditionele vijanden maar
het Europese expansionisme de grootste bedreiging voor het koninkrijk. Als enig
Zuidoost-Aziatisch land slaagde Thailand erin onafhankelijk te blijven en werd
het niet gekoloniseerd. Voor een deel had het dit te danken aan het verlangen
van Frankrijk en het Britse Rijk naar een stabiele bufferstaat tussen
hun kolonies in Birma, Malaya en Indochina. Maar vooral had het dit te danken
aan de bereidheid van de Thaise koningen Mongkut (Rama IV, 1851-1868) en
Chulalongkorn (Rama V, 1868-1910) om openlijk met de Europese grootmachten te
onderhandelen en hervormingen naar Europees model uit te voeren, het land te
moderniseren en de soevereine status van Thailand tussen alle overige landen van
de wereld te garanderen. Thailand - het toenmalige Siam - moest voor het behoud
van zijn onafhankelijkheid wel een hoge prijs betalen. Het verloor de
soevereiniteit over Cambodja en Laos ten gunste van Frankrijk en moest de
noordelijke staten van het Maleise Schiereiland (Malaya) aan de Britten afstaan. In 1910 was
het grondgebied dat onder Thaise heerschappij viel nog slechts een fractie van wat
het een eeuw geleden was geweest. Gedurende de eerste decennia van de 20ste eeuw
ondergingen het politieke bestel, de strijdkrachten, het onderwijs en de
economie van Thailand ingrijpende veranderingen. Veel Thais studeerden overzee
en er ontstond een kleine, in het Westen opgeleide elite die er minder
traditionele ideeën op na hield. In 1932 maakte een geweldloze staatsgreep van
legerofficieren en ambtenaren een eind aan de absolutie monarchie en werd het
begin van de grondwettelijke periode in Thailand ingeluid. Toch ging Thailands
pad naar een stabiel, democratisch land niet over rozen. Rivaliserende klieken
van militairen en bureaucraten, geleid door machtige generaals, domineerden het
politieke gebeuren. Die clans lagen aan de basis van verschillende staatsgrepen
waarbij gedurende lange tijd de staat van beleg gold. Sinds 1932 kende Thailand
niet minder dan zestien verschillende grondwetten. De burgers die in het
parlement zetelden, waren in werkelijkheid marionetten van de militairen. In
januari 2001 werd de zakenman Thaksin Shinawatra premier van Thailand. Thaksin
trad keihard op tegen de drugsdealers en de islamitische terroristen in het
zuiden van het land en hij zorgde ervoor dat ook de armere streken welvarender
werden, maar hij maakte wel handig gebruik van zijn functie als premier om zijn
zakelijke belangen nog verder uit te bouwen. Hij bezondigde zich ook aan
nepotisme. Op 19 september 2006 maakte het leger met een staatsgreep een eind
aan het waarnemend premierschap van Thaksin. Sindsdien is Thailand opnieuw een
monarchie waar parlement en democratie de facto buiten spel gezet zijn en de
militairen aan het bewind zijn. Zowel in binnen- als buitenland lijkt de
zoveelste - overigens vreedzaam verlopen - coup een storm in een glas water
geweest te zijn, maar het is nog de vraag of ook buitenlandse investeerders er
zo over denken, uitgerekend nu de economie in Aziatische landen zoals China en
India aan een geweldige opmars bezig is, Thailand nog aan het bekomen is van
de Zuidoost-Aziatische economische crash van de jaren 90 en de nieuwe Thaise
regering voor buitenlandse investeerders weinig aantrekkelijke wetten uitvaardigt.
In de loop van enkele duizenden jaren trokken mensen uit
Zuid-China weg en bevolkten ze andere gebieden in Zuidoost-Azië, onder meer het
huidige Thailand. Dankzij archeologische vondsten weet men dat er tijdens het
jong-paleolithicum (35.000 tot 10.000 jaar geleden) in dit gebied menselijke
activiteit was. Al minstens 20.000 jaar zouden er mensen in dit gebied wonen. De
economische en sociale ontwikkeling verliep niet vlot en was sterk afhankelijk
van de geografische en klimatologische omstandigheden. De dichte wouden in de
vallei van de Chao Phraya in Centraal-Thailand en op het Maleise Schiereiland in het zuiden waren zo rijk aan voedsel, dat daar lange tijd alleen
jagers en verzamelaars woonden. In de heuvels in het noorden van Thailand
verbouwden de mensen al vroeg rijst en ontwikkelde zich een hechter
gemeenschapsleven met de bijhorende sociale en politieke structuren. Tijdens
opgravingen in Ban Chiang, een dorpje op het Plateau van Khorat in het
noordoosten van Thailand, kwamen bronzen gebruiksvoorwerpen aan het licht die
wellicht reeds 3.000 jaar v.C. werden vervaardigd. Tijdens het vierde millennium
v.C. zouden de prehistorische bewoners in Ban Chiang al rijst verbouwd hebben.
Daardoor zou het Plateau van Khorat het oudste rijst producerende gebied van
Azië zijn. In diezelfde periode verbouwden de inwoners van China immers nog
gierst. Volgens de archeologen werden de bronzen gebruiksvoorwerpen ter plaatse
vervaardigd en niet van ergens anders geïmporteerd. In de onmiddellijke omgeving
van de sites van Ban Chiang vonden ze immers koper- en tinvoorraden, de ertsen
waarmee brons wordt gemaakt. Daardoor zou men in Thailand reeds bronzen
voorwerpen hebben gemaakt lang voor de bronstijd, die volgens de archeologie
rond 2800 v.C. in het Midden-Oosten begon en zowat duizend jaar erna in China.
Bronzen gebruiksvoorwerpen uit 3000 v.C.,
gevonden op archeologische sites bij Ban Chiang
Voor het eind van het eerste millennium voor onze
tijdrekening gingen de
territoria van de stammen op in koninkrijken waarvan de namen werden
overgeleverd in Chinese dynastieke kronieken uit die tijd. Funan was een vrij
groot koninkrijk dat zich in de 2de eeuw v.C. opwierp als de eerste en
belangrijkste grootmacht in Zuidoost-Azië. De heersende, hindoeïstische klasse
van Funan controleerde een gebied dat het huidige Cambodja omvatte en zich zelfs
uitstrekte tot het centrum van het hedendaagse Thailand. De handel van Funan was
gebaseerd op zeehandel en een goed ontwikkelde landbouw. Funan onderhield nauwe
handelsbetrekkingen met India en was de uitvalsbasis voor brahmaanse
handelaars-zendelingen, die de hindoecultuur in Zuidoost-Azië verspreidden.
Langs de landengte ten zuiden van Funan controleerden Maleise stadstaten de
routes waarlangs handelaars en reizigers tussen India en Indochina heen en weer
reisden. In de 10de eeuw had de machtigste stadstaat, Tambralinga (het huidige
Nakhon Si Thammarat), de controle over alle handelsroutes op het Maleise Schiereiland veroverd.
Samen met andere stadstaten van Malaya en Sumatra vormde
Tambralinga het Rijk van Srivijaya, een maritieme confederatie van staten die de
handel in de Zuid-Chinese Zee van de 7de tot de 13de eeuw domineerde en tol hief
op alle verkeer door de Straat van Malakka. In Tambralinga werd het boeddhisme
de staatsgodsdienst, maar verder naar het zuiden bekeerden veel stadstaten van
Malakka zich tot de islam. In de 15de eeuw was er een duidelijke scheidingslijn
ontstaan tussen het boeddhistische Zuidoost-Azië en het islamitische Malakka. De
Thais veroverden in de 13de eeuw weliswaar de staten op het schiereiland en die
gebieden behoren nu nog altijd tot Thailand, maar toch werden de inwoners van
Malakka nooit echt in de Thaise samenleving opgenomen. De verschillen in
godsdienst, taal en etnische afstamming zorgden voor - ook nu nog altijd
aanhoudende - sociale en politieke spanningen tussen de centrale overheid en de
zuidelijke provincies.
Koninkrijken Dvaravati, Chenla, Funan, Champa
5de eeuw
De nauw met elkaar verwant Mon en Khmer trokken in de 9de eeuw
v.C. langs migratieroutes uit zuidelijk China naar Zuidoost-Azië. De Khmer
vestigden zich in vallei van de Mekong, de Mon bevolkten de centrale laagvlakte
en de noordelijke heuvels van het hedendaagse Thailand en ook grote delen van
Birma. Dankbaar gebruik makend van de val het Chinese koninkrijk Funan in de 6de
eeuw richtten de Mon onafhankelijke koninkrijken op, onder meer Dvaravati in het
gebied dat vroeger door Funan werd gecontroleerd en verder naar het noorden in
Haripunjaya. Dvaravati was een los verband van stadsstaatjes. De naam
Dvaravati komt uit het Sanskriet en betekent letterlijk stad met
poorten, genoemd naar de stad van Krishna in het Indische epos
Mahabharata. Goerge Coedes, een Frans historicus, ontdekte de naam op
muntstukken die in de omgeving van de stad Nakhon Pathom werden
opgegraven. Die stad zou het middelpunt van de Dvaravati-cultuur gevormd
hebben. In Dvaravati werden veel mooie kunstwerken gemaakt, onder meer
duidelijk herkenbare boeddhabeelden (met onmiskenbare Indische
Gupta-invloed), stucversieringen op tempels en in grotten, bouwwerken
(waarvan slechts weinige bewaard zijn gebleven), prachtige
terracottahoofden, votieftafels en andere beeldhouwwerken. Dvaravati was
wellicht een culturele schakel tussen de pre-angkor-culturen van het
oude Cambodja en Champa in het oosten. Dankzij het reisverslag van de
Chinese boeddhistische monnik Xuanzang kenden de Chinezen dit gebied als
Tuoluobodi, gelegen tussen Sriksetra (noordelijk Myanmar) en Tsanapura (Sambor
Prei Kuk-Kambuja). Tussen de 9de en 15de eeuw vestigden de Khmer hun grote
rijk. De hoofdstad van het Khmer-rijk werd Angkor (vlakbij het huidige Siem Reap)
in Cambodja. Alleen het gebied rond Hariphunchai (de huidige stad Lamphun in
Thailand) wist tot eind 12de of begin 13de eeuw het hoofd te bieden aan
binnenvallende Khmers. In Lamphun vindt men in Wat Kukut nog de sporen
van de Dvaravati-architectuur. De Mon stonden open voor de kunst en de literatuur uit India en
verspreidden gedurende vele eeuwen de hindoeïstische culturele waarden in deze
streek. De veel voorkomende plaatsnamen in het Sanskriet in het huidige Thailand
is een van de gevolgen van deze lange en diepgaande Indiase invloed. Tijdens de
8ste eeuw introduceerde zendelingen uit Ceylon (het huidige Sri Lanka) het
theravadaboeddishme bij de Mon. Die stapten gretig naar het boeddhisme over en
verspreidden het op hun beurt onder de Khmer en de Maleiers van Tambralinga. De
twee Indiase godsdiensten, hindoeïsme en boeddhisme, bleven vreedzaam naast
elkaar bestaan. Het hindoeïsme bleef de culturele voedingsbodem waarop
boeddhistische religieuze waarden en ethische normen werden geënt. Het
boeddhisme was weliswaar de officiële godsdienst van de Mon en de Khmer, maar in
de praktijk was dat boeddhisme doorspekt met talrijke lokale animistische
culten. Ondanks hun culturele overheersing in de regio, werden de Mon
herhaaldelijk onderworpen door hun Birmaanse en Khmer-buren. In de 10de eeuw
kwamen Dvaravati en de hele Chao-Phraya-vallei onder de controle van Angkor. De
Khmer behielden weliswaar het hindoeïstisch-boeddhistische culturele erfgoed dat
ze van de Mon overnamen, maar ze legden een grotere nadruk op het hindoeïstische
concept van het heilige koningschap. De geschiedenis van Angkor kan men aflezen
op de prachtige bouwwerken die ter verheerlijking van de monarchie werden
opgetrokken. In Kanchanaburi, Lopburi en veel andere steden in
Noordoost-Thailand vindt men nog Khmer-bouwwerken. De obsessie van de Khmer-vorsten voor paleizen en tempels leidde er
echter uiteindelijk toe dat zij te veel mankracht voor de bouw hiervan
reserveerden en hun ingewikkelde landbouwsysteem begonnen te verwaarlozen. Die
landbouw had Angkor van het vroegere Chinese koninkrijk Funan overgeërfd en
ze vormde nog altijd de belangrijkste economische troef van het Khmer-rijk.
Brahmaanse elementen, theravadaboeddhisme en mahayanaboeddhisme werden
vermengd, toen Lopburi een religieus centrum werd. Zelfs in de
hedendaagse Thaise religieuze en hofceremonies vindt men nog sporen van
het brahmanisme en de andere boeddhistische stromingen.
Koninkrijk Dvaravati (maximale uitbreiding)
6de - 11de eeuw
De voorouders van de moderne Thais waren Tai sprekende volkeren
die ten zuiden van de Jangtsekiang (Blauwe Rivier) woonden op het bergachtige
plateau van wat nu de Chinese provincie Yunnan is. Volgens oude Chinese
aantekeningen (de eerste Chinese verwijzing naar de Tai dateert uit de 6de eeuw v.C.)
teelden de Tai rijst in de moerassen in valleien en laaglanden. Tijdens
het eerste millennium en voor de oprichting van formele staten door Tai
sprekende eliten leefden deze mensen verspreid over dorpen die samen een muang
vormden. Elke muang werd geregeerd door een chao, een heer, van
wie het gezag berustte op zijn persoonlijke kwaliteiten en zijn optreden als
beschermheer voor een schare beschermelingen. De dorpen die samen een muang
vormden, verenigden zich vaak om hun grondgebied te verdedigen tegen machtige
buren zoals de Chinezen en Vietnamezen. De staat Nanchao (650-1250) speelde een
doorslaggevende rol in de ontwikkeling van de Tai. In het midden van de 7de eeuw
voelde de Chinese Tang-dynastie zich in het westen bedreigd door machtige buren
zoals Tibet. Daarom wilde zij haar zuidwestelijke grenzen beveiligen door de
oprichting aan te moedigen van een bevriende staat van man (zuidelijke
barbaren) in de Yunnan-regio. Die staat werd Nanchao. Oorspronkelijk was Nanchao
een bondgenoot van de Chinezen, maar in de eeuwen erna ontpopte deze staat zich
tot een machtige vijand en breidde hij zijn territorium uit tot in het huidige
Birma en het noorden van Vietnam. In 1253 veroverden de troepen van de Koeblai
Khan, een afstammeling van Dzjengis Khan, Nanchao en namen ze de staat op in het
(Chinese) rijk van de Yuan-dynastie. Nanchao was op twee manieren belangrijk
voor de Tai-volkeren. Als Nanchao niet had bestaan, waren de Tai zoals de meeste
oorspronkelijk niet-Chinese volkeren ten zuiden van de Jangtsekiang wellicht
volledig geassimileerd door de Chinese cultuur. En Nanchao stimuleerde de Taise
migratie en expansie. Gedurende verschillende eeuwen drongen groepen Tais uit
Yunnan verder in Zuidoost-Azië door. In de 13de eeuw hadden ze zelfs al Assam
(in het huidige India) bereikt. Nadat ze zich hadden gevestigd, werden ze in
Birma bekend als de Shan en in het gebied van de Boven-Mekong als de Lao. In
Tonkin en Annam, het noordelijke respectievelijk centrale deel van het huidige
Vietnam verenigden de Tai zich in verschillende stammen: Tai Dam (zwarte Tais),
Tai Deng (rode Tais), Tai Khao (blanke Tais) en Nung. Toch vestigden de
meeste Tais zich aan de noordelijke en westelijke rand van het Khmer-rijk. De
meeste Thais beschouwen nog altijd de stichting van het koninkrijk Sukhothai als
het begin van een afzonderlijke Thaise natie. In 1238 riep Sri Intraditya, een
Taise hoofdman, de onafhankelijkheid van de Khmer-opperheren uit en
vestigde hij een koninkrijk in Sukhothai. Na de verovering van Nanchao door Koeblai Khan
trokken talrijke Tais daar weg en consolideerden ze de onafhankelijke
Tai-staatjes. Taise krijgers op de vlucht voor de Mongoolse indringers vestigden
zich in Sukhothai. Zo werd Sukhothai nog machtiger en kon het zijn suprematie
tegenover de Khmer in de centrale laagvlakte nog verstevigen. In het noorden
veroverden Taise krijgers de oude Mon-staat Haripunjaya. In 1296 stichtten ze
het koninkrijk Lan Na met als hoofdstad Chiang Mai.
Koninkrijken Lan Na, Phayao, Nan, Sukhothai, Ayutthaya
14de eeuw
Sukhothai ligt aan de Mae Nam Yom op zowat 375 kilometer ten
noorden van het huidige Bangkok. De stad is de bakermat van de Thaise
beschaving, want hier ontwikkelden zich de eerste instellingen en de cultuur van
het hedendaagse Thailand. Op het eind van de 13de eeuw vestigden zich hier inwoners
uit de centrale laagvlakte nadat ze zich van het juk van de Khmer-heerschappij
hadden bevrijd. Ze noemden zichzelf dan ook Thai, dat wil zeggen vrij, om
zich te onderscheiden van de andere Tai sprekende mensen die nog onder vreemde
heerschappij leefden. In de 13de eeuw veroverde het koninkrijk Sukhothai de
Landengte van Kra, die het Maleisisch Schiereiland met het Aziatische
vasteland verbindt. De staatskas werd gestijfd met oorlogsbuit en
belastingen van de vazalstaten in Birma, Laos en op het Maleisisch
Schiereiland. De eerste vorst van Sukhothai van wie historische
documenten bewaard zijn gebleven, was Ramkhamhaeng (Rama de Grote, 1277-1317).
Hij was een bekend krijgsman die zich uitriep tot de souvereine heerser over
alle Tais. Hij financierende zijn hofhouding met oorlogsbuit en belastingen uit
vazalstaten in Birma, Laos en Malaya. Tijdens zijn heerschappij werden er diplomatieke betrekkingen
tussen Sukhothai en China (Yuan-dynastie) aangeknoopt en erkenden de
Thais de Chinese keizer als
opperheerser van het Thaise koninkrijk. Ramkhamhaeng haalde Chinese
ambachtslieden naar Sukhothai om er de pottenbakkersindustrie te helpen
ontwikkelen. 500 jaar lang vormde die industrie een pijler van de Thaise
economie. Ramkhamhaeng bedacht ook het Thaise alfabet door de aanpassing van een
Khmer-geschrift dat op zijn beurt van het Indische Devenagari-geschrift was
afgeleid. Na de dood van Ramkhamhaeng kende Sukhothai een snel verval, want de
vazalstaten onttrokken zich aan de suzereiniteit van zijn zwakke opvolgers. De
latere koningen van Sukhothai werden geroemd om hun wijsheid en vroomheid, maar
toch moest het politiek verzwakte Sukhothai zich uiteindelijk in 1378
onderwerpen aan het Thaise koninkrijk Ayutthaya. Tijdens en na de
Sukhothai-periode kende het Thais-sprekende koninkrijk Lan Na een grote
bloei in het noorden vlakbij de grens met Birma. De hoofdstad was Chiang
Mai, dat vaak ook als naam voor dit koninkrijk wordt gegeven. Lan Na
werd een onafhankelijke stadsstaat in 1296. Tussen de 16de en 18de eeuw
kwam Lan Na onder controle van Birma.
Het koninkrijk Ayutthaya werd gesticht door U-Thong, een
avonturier die naar verluidt afkomstig was van een rijke Chinese koopmansfamilie
die met leden van het koningshuis was getrouwd. In 1350 verhuisde U-Thong uit
vrees voor een epidemie zijn hof naar het zuiden, in de rijke drassige vlakten
langs de Chao Phraya. Op een eiland in de rivier stichtte hij ein 1351 en nieuwe
hoofdstad en hij noemde ze Ayutthaya naar Ayodhya in Noord-India, de stad van
Rama, de held van het hindoe-epos Ramayana. Als koning naam U-Thong de naam
Ramathibodi (1350-1360) aan. Ramathibodi probeerde zijn koninkrijk weer één te
maken. In 1360 riep hij het theravada-boeddhisme uit tot staatsgodsdienst van
Ayutthaya. Hij liet leden van een sangha, een boeddhistische kloostergemeenschap
uit Ceylon, overkomen om nieuwe religieuze regels vast te leggen en dit geloof
bij zijn onderdanen te verspreiden. Hij stelde ook een juridische codex op,
gebaseerd op de Indische Dharmashastra (een hindoeïstische codex) en de Thaise
gebruiken. Die vormde de basis voor de koninklijke wetten en was opgesteld in
het Pali, een Indo-Iraanse en nauw met het Sanskriet verwante taal en de taal
van de theravada-boeddhistische heilige geschriften. De codex had de kracht van
een goddelijke wet. Aangevuld met koninklijke decreten bleef de codex van
Ramathibodi van kracht tot eind 19de eeuw. Ayutthaya werd op het eind van de
14de eeuw beschouwd als de sterkste mogendheid in Zuidoost-Azië, maar het had
onvoldoende mankracht om de regio te blijven domineren. Tijdens het laatste jaar
van zijn koningschap veroverde Ramathibodi de stad Angkor bij de eerste van een
reeks succesvolle Thaise aanvallen op de hoofdstad van het Khmer-rijk. Het
Thaise beleid bestond erin de oostelijke grens van Ayutthaya te beveiligen door
Vietnamese aanspraken op Khmer-grondgebied voor te zijn. De verzwakte Khmers
moesten zich met tussenpozen aan de Thaise soevereiniteit onderwerpen, maar
pogingen van Ayutthaya om de controle over Angkor te behouden mislukten
herhaaldelijk. Thaise troepen moesten immers vaak worden ingezet om opstanden in
Sukhothai te onderdrukken of ten strijde te trekken tegen Chiang Mai, waar fel
verzet werd gepleegd tegen de uitbreiding van Ayutthaya. Uiteindelijk onderwierp
Ayutthaya het grondgebied dat tot Sukhothai had behoord. Een jaar na het
overlijden van Ramathibodi erkende de keizer van de nieuw gevestigde
Ming-dynastie in China zijn Ramathibodi's koninkrijk als de rechtmatige
opvolging van Sukhothai. Het Thaise koninkrijk was geenszins een unitaire,
eengemaakte staat, maar veeleer een lappendeken van autonome vorstendommen en
onderhorige provincies die trouw hadden gezworen aan de koning van Ayutthaya.
Aan het hoofd van die staatjes stonden leden van de koninklijke familie van
Ayutthaya, die elk over een eigen leger beschikten en ook onderling oorlog
voerden. De koning moest voortdurend waakzaam blijven, want prinsen van
koninklijken bloeden deinsden er niet voor terug tegen hem samen te zweren of
bondgenootschappen met vijanden van Ayutthaya te smeden. Telkens als er
onenigheid over de troonsopvolging ontstond, trokken prinselijke landvoogden met
troepen naar de hoofdstad om hun aanspraken kracht bij te zetten. Tijdens de 15de eeuw moest Ayutthaya
voortdurend optreden op het schiereiland Malaya waar de belangrijke havenstad Malakka
de Thaise aanspraken op soevereiniteit betwistte. Malakka en andere
Maleise staten ten zuiden van Tambralinga waren begin 15de eeuw islamitisch
geworden. De islam was een symbool van de Maleise solidariteit en het verzet
tegen de Thais. Ook al slaagden de Thais er niet in Malakka te onderwerpen, toch
bleef Ayutthaya de winstgevende handel op het Maleise Schiereiland controleren.
Chinese handelaars kochten er luxeartikelen die bestemd waren voor China.
De Thaise vorsten waren absolute heersers. Hun koningschap gold
zelfs deels als religieus en ze putten hun autoriteit uit de ideale
eigenschappen die hun werden toegeschreven. De koning was een moreel voorbeeld. Hij
verpersoonlijkte de deugden van zijn volk en in zijn land heersten vrede en
voorspoed dankzij zijn verdienstelijke daden. Naar verluidt luisterde Ramkhamhaeng
in Sukhothai naar elke onderdaan die een speciaal voor dat doel aan
de paleispoort opgehangen bel luidde en hij werd door zijn volk als een vader
vereerd. Toch verdwenen de vaderlijke aspecten van het koningschap in Ayutthaya,
want de monarchie verschool zich daarin beïnvloed door de Khmer-traditie achter
een muur van taboes en rituelen. De koning werd beschouwd als chakkraphat,
het Sanskriet-Pali-woord voor de universele prins die het
wiel laat draaien en dankzij zijn toewijding aan de wet
de hele wereld rondom hem laat ronddraaien. Naar analogie met de Hindoe-god
Shiva, die heerser van het universum was, werd de Thaise koning de heerser
van het land, die zich in voorkomen en optreden onmiskenbaar van zijn
onderdanen onderscheidde. De etikette aan het Thaise hof was heel uitgebreid en
voor het aanspreken van leden van het hof en de communicatie over het koninghuis
gebruikte men zelfs een een eigen taal, het phasa ratchasap. Als devaraja
(Sanskriet-begrip voor goddelijke koning) werd de koning
uiteindelijk zelfs beschouwd als een aardse incarnatie van Shiva. Hij werd het
voorwerp van een politiek-religieuze cultus die werd beoefend door een heel
korps koninklijke brahmanen die deel uitmaakten van het boeddhistische gevolg
aan het hof. Uit boeddhistisch perspectief was de devaraja een bodhisattva (een
verlichte mens die uit medelijden afziet van het nirwana om andere mensen te
helpen). Het geloof in een goddelijke koning bleef overeind tot in de 18de eeuw,
ook al waren de religieuze voortvloeisels daarvan erg beperkt geworden. Een van
de vele institutionele vernieuwingen van koning Trailok (1448-1488) bestond in
de instelling van de uparaja of rechtmatige troonopvolger. De uparaja
was gewoonlijk de oudste zoon of volle broer van de koning. Op die manier wilde
koning Trailok definitief de troonopvolging regelen, iets wat in een polygame
dynastie altijd weer een uiterst lastige onderneming was.
De koning stond aan de top van een sterk gelaagde en sociale en
politieke hiërarchie die zich over de hele samenleving uitstrekte. De
basiseenheid van de sociale organisatie in de Ayutthayaanse samenleving werd
gevormd door de dorpsgemeenschap, die uit vele grote families bestond.
Gewoonlijk werden gemeenschappelijke projecten geleid door verkozen
dorpshoofden. De gronden waren in het bezit van het dorpshoofd die ze in naam
van de gemeenschap in beheer had. Sommige boeren bezitten eveneens grond, zolang
ze die maar bleven bewerken. Er was voldoende land beschikbaar voor de landbouw,
daarom kong de staat alleen maar overleven als hij over voldoende mankracht voor
de landbouw en de eigen defensie kon beschikken. Door de sterke expansie van
Ayutthaya was er altijd wel ergens een plek waar oorlog werd gevoerd. Omdat geen
enkele van de oorlogsvoerende partijen een technologische voorsprong had,
besliste doorgaans de grootte van het leger wie uiteindelijk de strijd won. Na
elke overwinning deporteerde Ayutthaya een deel van de veroverde bevolking naar
zijn eigen grondgebied. Daar werden die mensen geassimileerd en als werkkrachten
ingezet. Elke vrije burger moest zich bij de lokale heer of nai opgeven
als dienaar of phrai op wie de rijksambtenaar aan wie de burger
toegewezen was, een beroep kon doen voor de militaire dienst en als werkkracht
voor openbare werken. De phrai kon zijn gedwongen inzet als arbeidskracht
ook afkopen met een belasting. Als hij opzag tegen de gedwongen arbeid onder
zijn nai, kon hij zich als slaaf verkopen aan een nai die hij
beter vond. Die betaalde dan op zijn beurt een taks aan de overheid ter
compensatie van de verloren arbeidskracht. Tot de 19de eeuw bestond niet minder
dan een derde van alle mankracht uit phrai. Rijkdom, status en politieke
invloeden waren nauw met elkaar verbonden. De koning wees rijstvelden toe aan
landvoogden, militaire bevelhebbers en gerechtelijke functionarissen als
beloning voor hun diensten aan de kroon. Dat gebeurde volgens het sakdina-systeem,
volgens hetwelk de oppervlakte van elk aan de functionaris toegekend perceel
afhing van het aantal mensen dat hij daarop aan het werk kon zetten. Het aantal
arbeiders over wie een nai op die manier zeggenschap had, bepaalde zijn
rijkdom en meteen ook zijn status in de hiërarchie van de nai. Helemaal
bovenaan stond de koning, die over de meeste grond bezat en een beroep deed op
de diensten van het grootste aantal phrai, meer bepaald de phrai luang
of koninklijke dienaars, die
belastingen betaalden, in het koninklijke leger dienden en arbeid verrichtten op
de koninklijke landerijen. Koning Trailok stelde een definitieve toewijzing van
alle percelen en phrai voor de koninklijke functionarissen van elk niveau in
de hiërarchie op. Op die manier legde hij een maatschappelijke structuur vast
die aanhield tot de invoering van salarissen voor openbare gezagsdragers in de
19de eeuw. Alleen Chinese burgers vielen buiten deze maatschappelijke structuur.
Chinezen hoefden zich niet voor openbare arbeidstaken op te geven en konden zich
vrijelijk in het koninkrijk verplaatsen en handel bedrijven. In de 16de eeuw
controleerden de Chinezen de binnenlandse handel van Ayutthaya en hadden ze
belangrijke posities in de overheidsadministratie en in het leger verworven. De
meeste van die mannen namen een Thaise vrouw, omdat maar weinig Chinese vrouwen
bereid waren China te verlaten en hun man naar Ayutthaya te vergezellen. In de
16de eeuw kende Birma een enorme opgang. De agressieve Birmaanse dynastie liep
Chiang Mai en Laos onder de voet en voerde oorlog tegen de Thais. In 1569
veroverden Birmaanse troepen met de hulp van Thaise rebellen de stad Ayutthaya
en voerden ze de koninklijke familie weg naar Birma. Dhammaraja (1569-1590), een
Thaise landvoogd die de Birmanen had geholpen, werd als vazal in Ayutthaya
geïnstalleerd. Zijn zoon, koning Naresuan (1590-1605), herstelde de Thaise
onafhankelijkheid. Naresuan bond de strijd tegen de Birmanen aan tot ze in 1600
weer helemaal uit het land verdreven waren. Hij wilde te allen prijs vermijden
dat opnieuw naar het voorbeeld van zijn vader verraad zou plegen. Daarom
plaatste hij het openbare gezag van het land onder de rechtstreekse controle van
het hof in Ayutthaya. Hij maakte een eind aan het gebruik waarbij koninklijke
prinsen tot provinciebestuurders werden aangesteld en benoemde in plaats van hen
gerechtelijke functionarissen die het door de koning uitgevaadigde beleid
moesten uitvoeren. De koninlijke prinsen moesten in de hoofdstad blijven. Hun
onderlinge machtsstrijd ging weliswaar door, maar dan aan het hofd en onder het
toeziend oog van de koning. Om zijn controle over de nieuwe klasse van
landvoogden te verstevigen verordende Naresuan dat alle vrije burgers die als "phrai"
diensten moesten leveren, nu "phrai luang" waren, die onder het rechtstreekse
gezag van de koning vielen. De koning belastte nu zijn eigen ambtenaren met het
inschakelen van de vrije burgers voor openbare doeleinden. Op die manier
verwierf de koning theoretisch het monopolie over alle beschikbare mankracht in
zijn koninkrijk. Geleidelijk won ook de overtuiging veld dat de koning, omdat
hij over de diensten van alle inwoners beschikte, meteen ook alle percelen
bezitte. Ministeriële ambten en gouverneurschappen - inclusief de sakdina of
erbij horende percelen - werden doorgaans overgeërfd in een handvol families,
die op hun beurt vaak door huwelijkse banden met de koning waren gelieerd. De
Thaise gebruikten immers vaak huwelijken om bondgenootschappen met machtige
families te versterken, een gebruik dat tot in de 19de eeuw bleef bestaan. Door
dat beleid had de koning vaak tientallen vrouwen. Ondanks de hervormingen van Naresuan
gaf het koninklijk bestuur in de 150 jaar die volgden, geen blijk van
grote doeltreffendheid. In theorie was het koninklijke gezag ook buiten het
koninklijk grondbezit absoluut, maar in de praktijk bleef het door het losse
burgerlijke bestuur beperkt. De invloed van het centrale overheidsapparaat begon
pas eind 19de eeuw sterk toe te nemen.
De Thais hadden nooit voedsel te kort. De boeren plantten rijst
voor eigen consumptie en voor het betalen van belastingen. Wat overbleef werd
gebruikt om de religieuze instellingen te onderhouden. Toch voltrok zich tussen
de 13de en de 15de eeuw een opmerkelijke verandering in de Thaise rijstteelt. In
de hooglanden moest het waterniveau in de terrasvormige rijstperceeltjes via een
irrigatiesysteem op peil worden gehouden. Daar zaaiden de Thais glutineuze rijst
(kleefrijst), die nu nog altijd het hoofdvoedsel is in Noord- en
Noordoost-Thailand. In de drassige riviervlakte van de Chao Phraya verbouwden de
boeren een andere, langkorrelige rijstvariëteit afkomstig uit
Bengalen. Die rijstvariëteit groeide snel genoeg om mee te gaan met het
stijgende waterpeil in de rijstvelden van de laaglanden. Deze nieuwe soort
groeide gemakkelijk en overvloedig en zorgde voor een overschot dat in het
buitenland goedkoop kon worden verkocht. Ayutthaya lag aan de zuidpunt van de
riviervlakte en werd daardoor een centrum van economische bedrijvigheid. Onder
koninklijk toezicht groeven dwangarbeiders kanalen waarlangs de rijst van de
velden naar de schepen van de koning werd vervoerd om vervolgens naar China te
worden geëxporteerd. De modderige vlakten tussen de zee en het eigenlijke
vasteland, die men tot dan toe ongeschikt vond voor menselijke bewoning, werden
geleidelijk drooggelegd en klaargemaakt voor de rijstteelt.
In 1511 ontving Ayutthaya een diplomatiek gezantschap uit
Portugal, dat eerder dat jaar Malakka veroverd had. De Portugezen waren wellicht
de eerste Europeanen die het land bezochten. In 1516, vijf jaar na dat eerste contact,
sloten Ayutthaya en Portugal een verdrag waarbij de Portugezen toestemming
kregen in het koninkrijk handel te drijven. Een soortgelijk, in 1592 gesloten
verdrag gaf de Nederlanders een bevoorrechte positie in de rijsthandel.
Buitenlanders werden hartelijk ontvangen aan het hof van Narai (1657-1688), een
kosmopolitische vorst die toch op zijn hoede bleef voor buitenlandse invloeden.
Met Japan en Groot-Brittannië werden in de 17de eeuw belangrijke handelsbetrekkingen aangegaan. Nederlandse en
Engelse handelsmaatschappijen mochten factorijen vestigen en Thaise diplomatieke
gezantschappen werden naar Parijs en Den Haag gezonden. Dankzij al die
betrekkingen slaagde het Thaise koningshuis er handig in de Nederlanders tegen
de Engelsen en de Engelsen en Fransen tegen de Nederlanders uit te spelen en zo
een te grote invloed van één enkele mogendheid te voorkomen. Toch gebruikten de
Nederlanders in 1664 hun macht en dwongen ze de Thais tot toekenning van
extraterritoriale rechten en een vrijere handel. Op aandringen van zijn minister
van buitenlandse zaken, de Griekse avonturier Constantine Phaulkon, riep koning
Narai de hulp van de Fransen in. Franse ingenieurs bouwden vestingwerken voor de
Thais en ze trokken voor Narai in Lop Buri een nieuw paleis op. Franse
missionarissen zorgden voor onderwijs en geneeskunde en brachten de eerste
drukpers. De persoonlijke belangstelling van Lodewijk XIV werd getrokken door
berichten van missionarissen die lieten uitschijnen dat koning Narai misschien
tot het christendom kon worden bekeerd. De door Phaulkon aangemoedigde Franse
aanwezigheid wakkerde de wrok en de achterdocht van de Thaise adel en de
boeddhistische clerus echter aan. Toen bekend raakte dat de dood van Narai
nakend was, vermoordde Phra Phetracha de - christelijke - troonopvolger en liet
hij ook Phaulkon en een aantal missionarissen ombrengen. Door de komst van
Engelse oorlogsschepen werden nog meer Europeanen vermoord. Phetracha
(1688-1693) greep de macht, dreef de overblijvende buitenlanders het land uit en
kondigde een periode van 150 jaar aan waarin de Thais doelbewust alle contacten
met het westen afwezen.
Na een bloedige periode van dynastieke twisten begon voor
Ayutthaya een tijdperk van bloei, een vrij vredige episode in het tweede
kwart van de 18de eeuw. Kunst, literatuur en studie kenden een
grote bloei. Ayutthaya bleef met Vietnam wedijveren om de controle over
Cambodja, maar de grootste dreiging kwam van Birma, waar een nieuwe dynastie de
Shan-staten had onderworpen. In 1765 vielen drie Birmaanse legers het Thaise
grondgebied binnen en rukten ze naar de stad Ayutthaya op. Na een langdurig
beleg capituleerde de hoofdstad en werd ze in 1767 platgebrand. De kunstschatten
van Ayutthaya, de bibliotheken met de literatuur en de archieven met de
historische stukken werden nagenoeg volkomen verwoest. Van de stad bleven alleen
puinhopen over en in het land heerste chaos. De provincies werden tot
onafhankelijke staten uitgeroepen en aan hun hoofd stonden militaire leiders,
bedrieglijke monniken en jonge leden van de koninklijke familie. Toch werden de
Thais gered van de Birmaanse onderwerping door een erg gelegen komende Chinese
invasie van Birma en het bewind van Phraya Taksin, een half-Chinese Thaise militaire
bevelhebber.
Net als in de 16de eeuw herpakten de Thais zich dankzij hun
briljante militaire leider erg snel. Phraya Taksin (1767-1782) was uit het
belegerde Ayutthaya ontsnapt. Hij schaarde een handvol volgelingen achter zich,
die erg snel tot een leger uitgroeiden waarmee hij het verzet tegen de Birmaanse
invallers organiseerde. Na een lange en zware oorlog wisten zij de Birmanen weer
het land uit te drijven. Taksin eigende zich de titel van koning toe. Hij gaf de
verwoeste stad Ayutthaya op en stichtte meer naar het zuiden in de delta een
nieuwe hoofdstad in Thonburi, een versterkte stad op tegenoverliggende oever van het
huidige Bangkok. Na de val van de oude hoofdstad was het Thaise koninkrijk in
kleine staatjes uiteengevallen, maar in 1776 had Taksin het land weer eengemaakt
en in 1774 zelfs Lan Na (Chiang Mai) ingelijfd. Taksin begon aan waanideeën te lijden en geloofde
in zijn eigen goddelijkheid. Vanwege het staatsbelang werd hij door zijn
ministers afgezet en terechtgesteld. Toch kreeg Taksin door zijn vele
verwezenlijkingen een plaats in de lijst van Thaise nationale helden.
Na de dood van Phraya Taksin kwam de Thaise troon in handen van
Chakri, een generaal die samen met Taksin een leidende rol in de strijd tegen de
Birmaanse invallers had gespeeld. Als koning Yot Fa (Rama I, 1782-1809) stichtte
hij het nu nog altijd regerende Thaise vorstenhuis en verhuisde hij het hof naar
Bangkok, de moderne hoofdstad. Tijdens zijn krachtige bewind wist hij de Thaise
economie weer tot bloei te brengen en herstelde hij wat na de verwoesting van
Ayutthaya van het grote artistieke erfgoed overgebleven was. Aan Rama I wordt
ook een nieuwe editie van de Ramakien (de Thaise versie van de Ramayana)
toegeschreven. Die moest de in de brandende stand verloren gegane manuscripten
van het Thaise nationale epos vervangen. In de jaren erna breidde de Thaise
invloedssfeer zich verder uit, tot ergernis van de Westerse koloniale
grootmachten. In 1795 namen de Thais de Cambodjaanse provincies Battambang en
Siem Reap in. Gedurende de eerste helft van de volgende eeuw wisten de
Chakri-koningen de Vietnamese invallen in die gebieden af te slaan. Het conflict
tussen de Thais en de Vietnamezen werd uiteindelijk opgelost door de oprichting
van het gemeenschappelijke protectoraat Cambodja. De Thais zagen met lede ogen
hoe de Britten het Maleise Schiereiland probeerden in te palmen. Daarom
eisten ze de soevereiniteit op over de staat Kedah. Als gevolg van de
Brits-Birmaanse Oorlog (1824-1826) lijfde het Britse Rijk territorium in in een
gebied waarover de Thais en de Birmanen al eeuwen lang hadden gekibbeld. Deze
zet leidde tot de ondertekening van het Verdrag van Burney in 1826 tussen Siam
en de Britten. Siam kreeg het beheer over de vier noordelijke staten op het
Maleise Schiereiland, namelijk Kedah, Kelantan, Perris en Terengganu. De vier
staten werden overigens niet bij de onderhandelingen over dit verdrag betrokken.
Britse kooplieden kregen ook beperkte handelsconcessies in het koninkrijk Siam.
In 1833 bereikten de Thais een soortgelijk akkoord met de Verenigde Staten. Op
het eind van de regeerperiode van Nang Klao (Rama III, 1824-1851) kwam er een
eind aan het expansionisme van de Chakri-dynastie. Schatplichtige provincies
onttrokken zich meer en meer aan de controle van Bangkok en ook de westerse
invloed nam toe. In 1850 wees Nang Klao Britse en Amerikaanse verzoeken af om
betere handelsvoorwaarden te verkrijgen vergelijkbaar met de voorwaarden die de
Westerse mogendheden met geweld van China hadden afgedwongen. Toch waren de
opeenvolgende Thaise koningen minder succesvol in het beheersen van de Westerse
economische invloeden in hun eigen land. Omdat de eerste Chakri-koningen elkaar
eindelijk zonder bloedvergieten waren opgevolgd, kende het koninkrijk Siam een
zekere politieke stabiliteit, die in de Ayutthaya-periode helemaal zoek was.
Toch was er nog altijd geen regeling gevonden voor de automatische
troonopvolging. Het kwam vaak voor dat er bij het overlijden van de koning geen
uparaja of troonopvolger was. De Senabodi, een raad van wijzen, prinsen
en boeddhistische hogere geestelijken, die bij het overlijden van de koning
samenkwam, moest dan uit de koninklijke familie uit een troonopvolger aanduiden.
Het was de Senabodi, die de opvolger van Nang Klao koos.
Nang Klao overleed in 1851 en werd opgevolgd door zijn 47-jarige
halfbroer Mongkut (Rama IV, 1851-1868). Mongkuts vader, Loet La (Rama II,
1809-1824), had hem in 1824 in een boeddhistisch klooster ondergebracht om een
bloedig gevecht om de troonsopvolging te vermijden tussen facties die trouw
waren aan Mongkut en zij die Nang Klao steunden. Loet La deed dit, ook al was
Nang Klao ouder dan Mongkut en was zijn moeder een concubine, terwijl Mongkuts
moeder een gemalin van de koning was. Als boeddhistische monnik werd Mongkut een
autoriteit op het domein van de boeddhistische Pali-geschriften en kwam hij aan
het hoofd van een hervormde orde van de Siamese sangha te staan. In de loop der
eeuwen was het Thaise boeddhisme met bijgeloof doorspekt geraakt. Mongkut
probeerde de staatsgodsdienst van die uitwassen te ontdoen en de oorspronkelijke
leer van de Boeddha te herstellen. Door zijn 27 jaar durend monnikschap werd
Mongkut niet alleen een religieuze figuur met een zeker aanzien, hij werd ook
aan veel buitenlandse invloeden blootgesteld. Hij was leergierig en nieuwsgierig
naar wat zich in de wereld buiten Siam afspeelde. Daardoor onderhield hij
contacten met Franse katholieken en protestantse zendelingen uit de Verenigde
Staten. Hij studeerde westerse talen (Latijn en Engels), natuurwetenschappen en
wiskunde. Door uitgebreide gesprekken met de missionarissen en zendelingen werd
hij ruimdenkend en dat beïnvloedde zijn beleid, toen hij in 1851 koning van Siam
werd. Hij was beter op de hoogte van en kon beter overweg met westerse
opvattingen dan eender welke Thaise monarch voor hem. Mongkut was ervan
overtuigd dat zijn koninkrijk volwaardige betrekkingen met de westerse landen
moest onderhouden. Alleen zo kon Siam als onafhankelijke natie overleven en die
vernederingen vermijden die China en Birma in oorlogen met het Britse Rijk
hadden ondergaan. Tegen het advies van zijn hofhouding in schafte hij het oude
koninklijke handelsmonopolie op grondstoffen af. In 1855 ondertekende hij het
Vriendschaps- en Handelsverdrag met het Britse Rijk. Dit verdrag, waarnaar vaak
als Bowring-verdrag wordt verwezen, werd voor de Britten ondertekend door sir
John Bowring, de gouverneur van Hongkong. Krachtens dat verdrag mochten Britse
kooplieden nu zonder tussenpersonen in Siam handel drijven. Er werd een Brits
consulaat opgericht en aan Britse staatsburgers werd extraterritorialiteit
verleend. Het jaar erop werden soortgelijke overeenkomsten afgesloten met de
Verenigde Staten en Frankrijk en in de vijftien jaar erna met nog een aantal
Europese landen. Die akkoorden zorgden niet alleen voor vrijhandel maar
beperkten ook de bevoegdheid van de Siamese overheid om belastingen te heffen op
buitenlandse ondernemingen. De uitschakeling van die handelsbelemmeringen leidde
tot een enorme toename van de handel met het westen. Die bracht op haar beurt
een radicale verandering teweeg in de Thaise economie en daardoor maakte Siam nu
ook deel uit van het internationaal monetair systeem. De eis om
extraterritoriale privileges overtuigde de koning er ook van dat Siam zijn
juridische en administratieve systemen moest hervormen, als het door de westerse
mogendheden als gelijke wilde worden behandeld. Ook al kwam er van een ver
doorgedreven modernisering tijdens de regeerperiode van Mongkut uiteindelijk
niet zo veel in huis, toch slaagde hij erin het oude aura van de koning als
goddelijk personage wat te verminderen, want de gewone burger mocht de koning
weer aankijken, er werd een koninklijke courant met de wetten van het land
gepubliceerd en de koning deed een beroep op een aantal westerse deskundigen als
raadgever, leraar en technicus. Al lang bestaande instellingen zoals de
slavernij bleven nagenoeg onaangeroerd en het politieke systeem werd nog altijd
door de grote families beheerst. Aan het hof behielden de conservatieven hun
overwicht en het overlijden van Mongkut in 1868 schortte de geplande hervormingsprojecten op.
Na de dood van Mongkut volgde zijn op dat ogenblik nog
minderjarige oudste zoon, Chulalongkorn (Rama V, 1868-1910), hem op.
Chulalongkorn had onderwijs gekregen van Europese privé-leraars. Tijdens het
regentschap in afwachting van zijn meerderjarigheid bezocht de jonge koning
Java en India, waar hij getuige was van het Europese koloniale bestuur.
Chulalongkorn was de eerste Chakri-koning die het land verliet. Bij zijn kroning
in 1873 kondigde hij de afschaffing af van het oude gebruik zich voor de koning
op de grond te werpen. Dat gebruik paste niet meer in een modern land, vond hij.
Hij vaardigde daarna nog een aantal hervormingen uit bedoeld om het rechterlijk
systeem, de overheidsfinanciën en de politieke structuren te hervormen. Die
hervormingen lokten in december 1874 een conservatieve opstand aangevoerd door
prins Wichaichan uit. Ook al wist Chulalongkorn die opstand te onderdrukken,
toch moest hij van zijn "radicalisme" afzien en zijn hervormingen voorzichtiger
doorvoeren. Het duurde dan ook meer dan tien jaar voor de koning en zijn
bondgenoten diepgaandere veranderingen konden decreteren. Een van de meest
verreikende van die hervormingen was de afschaffing van slavernij en arbeid als
phrai. De slavernij werd geleidelijk afgeschaft zodat er voldoende tijd
bleef voor sociale en economische aanpassingen. Pas in 1905 behoorde de
slavernij in Siam definitief tot het verleden. Door de invoering van een
hoofdelijke belasting die in geld moesten worden betaald en een regulier leger
dat bestond uit dienstplichtigen, verloor de verplichte arbeid voor de overheid
grotendeels zijn nut. Betaald werk, dat vaak door Chinese immigranten werd
gepresteerd, bleek efficiënter voor de openbare werken. Door de invoering van
salarissen voor ambtenaren werd ook de sakdina overbodig. Al die
hervormingen zorgden voor een grote omwenteling in de Thaise samenleving. In
1887 vroeg de koning aan Devawongse, een van zijn prinsen, een studie te maken
over de Europese regeringsvormen en over hoe Europese instellingen succesvol in
Siam konden worden ingevoerd. Het jaar erop kwam de prins met een voorstel voor
een Siamees regeringskabinet bestaande uit twaalf verschillende ministeries. De
koning keurde het plan weliswaar goed, maar het duurde nog meerdere jaren voor
het volledig in de praktijk kon worden omgezet. In 1893 startte prins Damrong
Rajanubhab, de minister van binnenlandse zaken, een volledige doorlichting van
Siams verouderde provinciale bestuur. Het oude semi-feodale systeem in de
buitenprovincies werd geleidelijk vervangen door een gecentraliseerd
staatsbestuur. Onder Damrong werd het ministerie van binnenlandse zaken heel
machtig en het speelde een centrale rol bij de nationale eenmaking.
Onder meer de
aan het hof van Chulalongkorn verbonden Gentse professor en jurist
Gustave Rolin Jaequemyns (Thaise naam: Chao Phraya Aphai Raja) en zijn
Belgische juridische adviseurs - onder wie Émile Jottrand - leverden een
wezenlijke bijdrage tot de totstandkoming van een "moderne" Thaise
grondwet, gebaseerd op de progressieve Belgische grondwet. In 1868 sloten het Koninkrijk België en het Koninkrijk Siam
trouwens een eerste bilateraal verdrag, het Vriendschaps- en Handelsverdrag. Krachtens dit verdrag werd in 1883 de eerste Thaise ambassadeur,
prins Prisdang, in Brussel geaccrediteerd. In 2008 viert men 125 jaar Thaise diplomatieke aanwezigheid in Brussel. In 2004 vierde men in Bangkok overigens al
het 100-jarige jubileum van de Belgische diplomatieke aanwezigheid in
Thailand, die eveneens het gevolg was van het verdrag tussen beide staten.
In 1897 bracht Chulalongkorn een bezoek aan België. In 1908 werden de
Thaise satang-muntstukken door de Belgische Munt geslagen. Chulalongkorn
haalde naast Belgen ook Italianen (cartografen en leraars) en Denen
(marine-instructeurs) naar Thailand. Net als zijn
vader wist Chulalongkorn hoe belangrijk goed onderwijs is. Hij richtte drie op
Europese leest geschoeide scholen op voor de kinderen van de koninklijke familie
en regeringsfunctionarissen, onder meer een meisjesschool. Gespecialiseerde
scholen werden met regeringsdiensten verbonden en belast met de opleiding van
ambtenaren. Studeren in het buitenland werd aangemoedigd en veelbelovende
ambtenaren en legerofficieren werden naar Europa gezonden om daar voort te
studeren. In 1891 trok prins Damrong naar Europa om er de moderne
onderwijssystemen te bestuderen. Na zijn terugkeer kwam hij aan het hoofd te
staan van het nieuwe ministerie van openbaar onderwijs. Een jaar later moest hij
echter ook de functie van minister van binnenlandse zaken opnemen. Tijdens de
regeerperiode van Chulalongkorn werden de eerste Thaise spoorlijnen aangelegd en
in 1897 werd een spoorverbinding tussen Bangkok en Ayutthaya voltooid. De lijn
werd verder naar het noorden doorgetrokken, naar Lopburi in 1901 en naar
Sawankhalok in 1909. Een spoorlijn naar Phetchaburi was in 1903 klaar en werd
uiteindelijk zelfs verbonden met de Britse spoorlijnen op het Maleise
Schiereiland.
Het oprukken van Groot-Brittannië en Frankrijk, de twee
agressiefste Europese mogendheden in de regio, vormde een ernstige bedreiging
voor Siam in de laatste jaren van de 19de eeuw. In het westen van Siam
veroverden de Britten uiteindelijk heel Birma in 1885 door de inlijving van
Opper-Birma en de gedwongen troonsafstand van Thibaw, de laatste koning van
Birma. In het zuiden hadden de Britten de belangrijkste moslimstaten op het
Maleise Schiereiland onderworpen. Meer nog dan het Britse Rijk vormde Frankrijk
een bedreiging voor de Siamese onafhankelijkheid. De Fransen bezetten
Cochinchina (zuidelijk Vietnam, rond de Mekong-delta) in 1863. Van daaruit
breidden ze hun invloed uit tot in Cambodja, een gebied dat Vietnam en Siam
elkaar al lang betwistten. Frankrijk nam de traditionele belangen van Vietnam
over en onder Franse dwang stemde de Cambodjaanse koning, Norodom, erin toe
dat Cambodja een Frans protectoraat werd. Vier jaar later deed Siam formeel
afstand van zijn claim op Cambodja in ruil voor de Franse erkenning van de
Siamese soevereiniteit in de Cambodjaanse provincies Siem Reap en Battambang. De
Fransen droomden ervan hun Britse rivalen te verschalken door via de
Mekong-vallei een handelsroute naar de vermoede rijkdommen in Zuidwest-China uit
te bouwen. Dit leek mogelijk zodra Frankrijk in de jaren 1880 de volledige
controle over Vietnam had verworven. Sleutels voor de Franse droom waren de
kleine Laotiaanse koninkrijken die onder Siamese heerschappij stonden. De
Fransen eisten die gebieden op met het argument dat territoria die vroeger onder
Vietnamese controle stonden, nu de Fransen, de nieuwe heersers over Vietnam,
toekwamen. Auguste Pavie, de Franse vice-consul in Luang Prabang in 1886, was de
ferventste voorvechter van de Franse belangen in Laos. Hij maakte gebruik van de
zwakke Siamese positie in de regio en de herhaalde invallen van Chinese rebellen
uit de provincie Yunnan. Met zijn intriges zorgde hij voor toenemende spanningen
tussen Bangkok en Parijs. Toen in april 1893 in Laos uiteindelijk gevechten
uitbraken tussen Fransen en Siamese troepen, stuurden de Fransen kanonneerboten
om een blokkade van Bangkok te organiseren. Noodgedwongen stemden de Siamezen in
met de afstand van hun Laotiaanse territoria. De Britten legden zich neer bij
het Franse expansionisme en tekenden in 1896 met de Fransen een verdrag waarin
een grens tussen het Franse territorium in Laos en het Britse territorium in
Opper-Birma werd erkend. Toch bleven de Fransen verder Siam onder druk zetten.
In 1907 werd Chulalongkorn gedwongen Battambang en Siem Reap aan het door de
Fransen bezette Cambodia af te staan. De Thaise inwoners van die gebieden hadden
de Thaise koning vaak om steun gevraagd, omdat zij in Cambodja een
minderheid vormde. In 1912 liet Siam zijn aanspraken op de
noordelijke Maleise staten Kelantan, Trengganu, Kedah en Perlis ten gunste van
de Britten varen in ruil voor jurisdictie over Britse onderdanen in het Siamese
koninkrijk en een aanzienlijke Britse lening voor de aanleg van spoorwegen. Siam
had heel veel grondgebied moeten inleveren. Toch kon het zijn onafhankelijkheid
behouden als nuttige en vrij stabiele bufferstaat tussen de Fransen en Britse
koloniale gebieden. Terwijl de regeerperiode van Chulalongkorn door
moderniseringen werd gekenmerkt, werd het bewind van zijn zoon, Vajiravudh, door
een verhevigd nationalisme gekarakteriseerd. Koning Vajiravudh schreef veel over
nationalistische thema's. Hij zorgde ook voor de oprichting en de financiering
van het Korps der Wilde Tijgers, een privé-militie waarmee hij de
nationalistische gevoelens wilde aanwakkeren. Anti-Chinese gevoelens
kenschetsten het Thaise nationalisme in alle geledingen van de samenleving.
Eeuwenlang hadden leden van de Chinese gemeenschap immers de binnenlandse handel
gedomineerd en had men hen als agenten voor het de koninklijke handelsmonopolie
ingezet. Door de toenemende Europese economische invloed waren veel Chinese
ondernemers overgeschakeld op de opiumhandel en de inning van belastingen,
allebei geminachte beroepen. Bovendien verweet men Chinese molenaars en
rijstmakelaars de economische recessie die Siam na 1905 bijna tien jaar
teisterde. Omkoping van hoge ambtenaren, oorlogen tussen de geheime Chinese
genootschappen en de hardvochtige praktijken voor de inning van belastingen
droegen allemaal bij tot een verhevigde Thais ressentiment tegen de Chinese
gemeenschap, toen die door de toegenomen immigratie uit China snel groeide. In
1910 bestond bijna 10 percent van de Thaise bevolking uit etnische Chinezen. De
vroegere Chinese inwijkelingen trouwden vaak met Thais, maar de nieuwkomers
arriveerden vaak met hun hele familie in Thailand en waren niet geneigd zich in
de Thaise samenleving te integreren. Parallel met het Thaise nationalisme
ontwikkelde zich ook het Chinese nationalisme, mede aangemoedigd door Sun
Yat-sen, de leider van de Chinese revolutie. De Chinese gemeenschap organiseerde
zelfs eigen scholen voor de Chinese kinderen. Wetgeving in 1909 verplichtte het
aannemen van een familienaam maar was eigenlijk vooral gericht tegen de Chinese
gemeenschap. Thaise Chinezen moesten nu kiezen tussen afstand doen van hun
Chinese identiteit of het aannemen van het vreemdelingenstatuut. Velen onder hen
kozen ervoor om toch Thai te worden, zij het dan alleen in naam. Zij die
daarvoor bedankten, raakten nog meer van de Thaise samenleving vervreemd. Tot
ontsteltenis van zijn raadgevers, die nog altijd gebukt gingen onder het
territoriumverlies van Siam aan Frankrijk, verklaarde Vajiravudh op 22 juli 1917 aan Duitsland
de oorlog en sleepte hij op die manier Siam mee in de Eerste Wereldoorlog. Siam
koos de kant van de geallieerden en zond een symbolisch expeditielegertje naar
het westelijke front. De 1250 Siamese soldaten gingen in Duinkerken aan land. Ze
werden vooral als arbeiders ingezet, iets wat de Siamese soldaten niet
beviel. Door die - weliswaar heel beperkte - oorlogsinspanning kon Siam op het eind van de oorlog gunstige wijzigingen in zijn verdragen met
Frankrijk en Groot-Brittannië bereiken. De Verenigde Staten hadden inmiddels hun
aanspraken op gebied in Zuidoost-Azië laten varen. Een andere meevaller waren de
geconfisqueerde Duitse schapen, die Siam aan zijn eigen koopvaardijvloot mocht
toevoegen. Siam nam deel aan de vredesonderhandelingen en ondertekende mee het
Verdrag van Versailles in 1919. Siam was ook een van de stichtende leden
van de Volkenbond, die bij het tekenen van dit verdrag werd opgericht. Siam was
een van de financiers van het Intergeallieerd Oorlogsmomument in Luik,
waarvan de bouw in 1928 op de heuvel van Cointe begon. De Internationale
Federatie van Oudstrijders had tijdens haar in Rome in 1925 Luik voor de
locatie van dit monument uitgekozen. Op 20 juli 1937 werd het door de
Antwerpse architect Jozef Smolderen ontworpen monument in aanwezigheid
van koning Leopold III ingehuldigd.
Siam in 1900
Vroegere grenzen en verloren gebieden van Siam
Kayah. Opgeëist door het Britse Rijk in 1892.
Gedemilitariseerde zone van 25 km, 1892.
Afgestaan aan
Siam in 1904.
Westelijke oever van Luang Prabang.
Grotendeels in de
gedemilitariseerde zone.
Opgeëist door Frankrijk in 1904.
Champasak, onderhorigheid van Siam.
Grotendeels in de
gedemilitariseerde zone.
Opgeëist door Frankrijk in 1904.
Battambang, Siam Reap, Sisophon.
Onderhorigheden van Siam.
Afgestaan aan Frankrijk in 1907.
Chanthaburi. Ingenomen door Frankrijk in 1893.
Afgestaan
aan Siam in 1904.
Perlis, Kedah, Kelantan, Trengganu.
Onderhorigheden van
Siam.
Afgestaan aan het Britse Rijk in 1909.
In het begin van zijn regeerperiode leek koning Prajadhipok (Rama
VII, 1925-1935) bereid de verantwoordelijkheid voor de politiek besluitvorming
met zijn ministers te delen. Hij stelde ook een adviesraad in die de
mogelijkheid van een Thaise grondwet moest onderzoeken, maar de royalistische
raadsleden spraken zich tegen een dergelijke grondwet in. Toch vond de
ambtenarij de tijd rijp voor een dergelijke stap. Door de internationale
economische malaise en de daarmee gepaard gaande sterke daling van de
rijstprijzen had Siam met ernstige economische problemen te kampen. Het
ongenoegen bij de politieke elite groeide toen er op de overheidsuitgaven werd
bezuinigd. Die besparingen leidden tot verregaande inkrimping van het
ambtenarenapparaat en het legerpersoneel, de verlaging in rang van anderen en de
schrapping van overheidsprojecten.
Aan de lange periode van absolute monarchie kwam een abrupt
eind tijdens de geweldloze staatsgreep van een groep ambtenaren en
legerofficieren met steun van legereenheden uit de regio Bangkok op 24 juni 1932.
De coup was met name gericht tegen ministers in de conservatieve
regering, niet tegen de koning zelf. Drie dagen na de coup kondigde een
militaire junta een nieuwe, voorlopige grondwet af die door Pridi
Phanomyong, een jonge professor rechten, opgesteld werd. Prajadhipok
legde zich neer bij de situatie. Ze hadden hem zijn politieke macht
ontnomen, maar het prestige van de monarchie was in principe onaangetast
gebleven. De als "promotors" bekend staande coupleiders
vertegenwoordigden de jonge generatie van de westers georiënteerde
politieke elite die opgeleid was om als instrument te fungeren van de
absolute monarchie, een instituut dat zij intussen verouderd en
ongeschikt voor de moderne manier van regeren vonden. de hoofdrolspelers
van de staatsgrepen noemden zichzelf nationalisten en niemand van hen
stelde het instituut monarchie in vraag. Onder hen bevonden zich de
personages die in de komende dertig jaar een belangrijke rol in de
Thaise politiek zouden spelen. Pridi, een van de toonaangevende
intellectuelen van het land, was de invloedrijkste burgerlijke
"promotor". Zijn belangrijkste rivaal bij de overige promotors was
Phibun of Luang Plack Phibunsongkhram, een ambitieuze legerofficier die
het later nog tot veldmaarschalk schopte. Phahon of Phraya Phahonphonphayuhasena,
de meest hooggeplaatste van de groep, vertegenwoordigde conservatieve
legerofficieren die misnoegd waren over besparingen in de
defensie-uitgaven. De drie mannen oefenden samen de macht uit als leden
van het Commissariaat van het Volk, een kabinet dat door de Nationale
Vergadering verkozen was, nadat die kort na de staatsgreep door de
"promotors" bijeengeroepen was. Om ook de andere conservatieven tevreden
te stellen werd Phraya Manopakorn, een gepensioneerde jurist, tot
premier aangesteld. Voor eind 1932 werd een definitieve grondwet
afgekondigd. Die grondwet voorzag in een quasi-parlementair
eenkamerstelsel waarin de uitvoerende macht berustte bij een Nationale
Vergadering. De helft van de parlementsleden werd via een beperkte
stemming verkozen, de andere door de regering. Volgens de grondwet werd
de volledige wetgevende macht verkozen, wanneer de helft van het
kiezerskorps vier jaar onderwijs had genoten respectievelijk na het
verstrijken van een termijn van tien jaar. De Nationale Vergadering
keurde de begroting goed en kon een koninklijk veto teniet doen. Toch
behielden de "promotors" de echte macht en oefenden ze die met steun van
het leger uit via hun politieke organisatie, de Volkspartij. In de
rangen van de "promotors" ontstond al vlug een breuk tussen burgers en
legerofficieren. Pridi, de minister van financiën, stelde in 1933 een
radicaal economisch plan voor. Hij riep op de natuurlijke rijkdommen te
nationaliseren. Manopakorn en de conservatievere militaire kabinetsleden
vonden dat plan onaanvaardbaar. Pridi genoot de steun van de Nationale
Vergadering, maar die werd door de premier naar huis gestuurd.
Manopakorn regeerde van dan af per decreet. Pridi werd ervan beschuldigd
dat hij een communist was en hij vluchtte naar het buitenland.
Legerofficieren die zich verzetten tegen deze zet van de premier
pleegden op hun beurt een staatsgreep in juni 1933. Ze zetten Pridi af,
stelden opnieuw de Nationale Vergadering in en vormden een nieuwe
regering, geleid door Phahon. Pridi kreeg toestemming om naar Bangkok
terug te keren en werd daarna vrijgesproken van alle beschuldigingen.
Naast een kliekjesmentaliteit in de regering werd het kabinet ook
geconfronteerd met een ernstige royalistische revolte in oktober 1933.
De leider van die opstand was prins Boworadet, een neef van de koning en
minister van defensie in het oude regime. Ook al steunde de koning de
prins niet, toch verslechterden daarna de relaties tussen Prajadhipok en
de politieke leiders. In november 1933 vonden de eerste parlementaire
verkiezingen in de Thaise geschiedenis plaats. Minder dan 10 percent van
de stemgerechtigden bracht hun stem uit, maar toch bevestigden zij de
populariteit van Pridi. Pridi en zijn burgers-medestanders in de
linkervleugel van de Volkspartij moesten het tegen de militaire kliek
rond zijn rivaal, Phibun, opnemen. In 1934 werd Phibun tot minister van
defensie benoemd en gebruikte hij zijn ministeriële macht om zijn
politieke invloed in het leger uit te breiden. Hij ijverde voor een
sterkere militaire orde om het land uit buitenlandse handen te houden en
nam elke gelegenheid te baat om aan te tonen dat de militaire
administratie superieur was vergeleken bij het burgerlijke
ambtenarenapparaat. Premier Phahon moest in de regering zorgen voor een
moeilijk evenwicht tussen de aanhangers van Pridi en Phibun. De
conservatieve burgerlijke ministers waren tijdens het regime van
Manopakorn en door de steun van sommigen onder hen voor de royalistische
revolte in diskrediet geraakt. Door hun afgenomen invloed had de koning
ook minder politieke bondgenoten in de regering. In maart 1935 deed
koning Prajadhipok troonsafstand zonder een opvolger aan te duiden. Hij
wilde zijn oude dag in Groot-Brittannië doorbrengen, misnoegd als hij
was over het zogenaamde machtsmisbruik van de regering Phahon, omdat die
zijn koninklijke veto had beknot. Ananda Mahidol (Rama VIII, 1935-1946),
een tienjarig neefje, zat in Zwitserland op school en werd tot
troonsopvolger benoemd. Er werd een regentschapsraad, waarvan ook Pridi
deel uitmaakte, aangesteld. Die moest de grondwettelijke bevoegdheden
van de monarchie waarnemen. Pas in 1945 keerde de nieuwe koning naar
zijn land terug.
De "promotors" - zowel burgers als militairen - hadden
hun politieke beweging een nationalistisch stempel opgeplakt, maar de
enige overeenstemming bestond erin dat ze de officiële ideologie
aanvaardden. Voor de stabiliteit van een regering is samenwerking
onmisbaar, maar toch verslechterden de burgerlijke en militaire klieken
toen almaar meer belangrijke overheidsfuncties door militairen werden
ingenomen. Phahon merkte dat een militair bestuur op de duur
onafwendbaar was en nam in december 1938 ontslag als premier. Phibun
volgde hem op en zijn rivaal, Pridi, werd minister van financiën. De
regering Phibun verkocht het nationalisme aan de bevolking en maakte
daarbij gebruik van de propagandamethoden van autoritaire regimes in
Europa. Nationalisme werd gelijkgesteld met verwestersing. Om de wereld
duidelijk maakte - zo stelde Phibun woordelijk - dat het land aan de
Thais toebehoorde, werd de naam van het land officieel veranderd in
Muang Thai, het Land van de Vrijen, of Thailand. Datzelfde jaar
lanceerde Pridi zijn economisch plan Thailand voor de Thais. Hij
hief zware belastingen op bedrijven die in buitenlandse (grotendeels
Chinese) handen waren en bood tegelijk overheidssubsidies aan
ondernemingen die in Thaise handen waren. De regering moedigde de Thais
aan Europese gebruiken over te nemen en decreteerde bijvoorbeeld dat men
in het openbaar schoenen en een hoed moest dragen. Het kauwen van betel
werd verboden, opiumverslaafden werden vervolgd en - als ze Chinees
waren - het land uitgezet. Ook al stond het Thaise nationalisme gelijk
met verwestersing, toch was het niet pro-westers, politiek noch
cultureel. Thaise christenen, vooral in overheidsdienst, en moslims
werden officieel gediscrimineerd. Uit regeringsmededelingen werd
overduidelijk dat alleen boeddhisten goede Thaise patriotten konden
zijn. Het Thaise nationalisme was in de kern trouwens ook anti-Chinees.
Er werden maatregelen afgekondigd om de Chinese immigratie te
controleren en veel beroepen voor Thais te reserveren die vroeger
overwegend door Chinezen werden uitgeoefend. Het nationalistische bewind
van Phibun rakelde ook weer oude eisen tot hereniging van bepaalde
gebieden met het Thaise moederland op. Men eiste de teruggave van
voormalige Thaise territoria in Cambodja en Laos en wakkerde op die
manier de anti-Franse gevoelens aan. Phibun ijverde voor nauwere banden
met Japan en zocht op die manier steun tegen Frankrijk. De Thaise
nationalisten zagen in Japan de Aziatische modelstaat die westerse
methoden en technologie gebruikte om het land heel snel te moderniseren.
Thailand nam het op tegen de Fransen in Indochina en zagen dat Japan het
enige Aziatische land was dat met succes de Europese grootmachten
uitdaagde. De Thais waren unaniem voor de teruggave van verloren
provincies, maar toch was Phibuns enthousiasme voor de Japanners
beduidend groter dan die van Pridi. Veel "oude" conservatieven keken met
argusogen naar het buitenlands beleid van de premier.
Thailand reageerde pragmatisch op de militaire en politieke
gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen het eind 1940, begin
1941 hier en daar tot gevechten kwam tussen Thaise en Franse troepen
langs de Thaise oostelijke landsgrens, gebruikte Japan zijn invloed bij
het Vichy-regime in Frankrijk om voor Thailand concessies te bepleiten.
Als gevolg daarvan gaf Frankrijk in maart 1941 een gebied van 54.000
vierkante kilometer in Laos en het grootste deel van de Cambodjaanse
provincie Battambang aan Thailand terug. De terugwinning van dit
verloren territorium en de duidelijke overwinning van het regime op een
Europese koloniale grootmacht versterkten Phibuns reputatie aanzienlijk.
Maar op 8 december 1941 moest Thailand na urenlange gevechten tussen
Thaise en Japanse troepen in Chumphon op de Landengte van Kra instemmen met de Japanse eisen
voor een vrije doorgang voor de Japanse troepen die Birma en Malaya
binnenvielen. Phibun verzekerde de bevolking dat die Japanse actie
vooraf was overeengekomen met welwillende Thaise regering. Later in
december 1941 ondertekende Phibun een wederzijds defensiepact met de
Japanners. Uit protest nam Pridi ontslag, maar hij nam meteen de
apolitieke functie van regent voor de afwezige koning Ananda Mahidol op.
Thailand was Japan, een andere Aziatische staat, gunstiger gezind dan de
Britse en vooral Franse koloniale mogendheden, want daar had Thailand
alleen maar last van ondervonden.
Onder druk van Japan verklaarde de regering Phibun uiteindelijk de oorlog aan het
Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten in januari 1942. Seni Pramoj, de
Thaise ambassadeur in Washington, weigerde echter de oorlogsverklaring
aan de Amerikaanse regering te overhandigen. Daardoor verklaarden de
Verenigde Staten niet de oorlog aan Thailand. Seni was een conservatieve
aristocraat met gevestigde anti-Japanse geloofsbrieven. Met Amerikaanse
steun organiseerde hij de Free Thai Movement (Beweging van Vrije Thais)
en recruteerde hij in de Verenigde Staten Thaise studenten voor de
Amerikaanse geheime dienst, het United States Office of Strategic
Services (OSS). Het OSS leidde Thais op voor ondergrondse activiteiten
en Thaise eenheden werden klaargestoomd om in Thailand te infiltreren.
Als regent van Thailand stond Pridi aan het hoofd van een clandestiene
organisatie die op het eind van de oorlog met geallieerde steun meer dan
50.000 Thaise verzetslieden had bewapend. Thailand werd voor Phibuns
nauwe samenwerking met het Japanse Rijk in de beginjaren van de oorlog
beloond met de teruggave van nog meer grondgebied dat ooit door Bangkok
werd gecontroleerd, inclusief delen van de Shan-staten in Birma en de
vier noordelijkste staten op het Maleise Schiereiland. Japan had
intussen 150.000 soldaten op Thais grondgebied gestationeerd en de
beruchte Dodenspoorweg aangelegd. Die strategisch belangrijke
spoorweg moest de Japanse troepen door Thailand naar Moulmein aan de
Andamanse Zee in Birma, een Britse kolonie, brengen. Voor de bouw werden
geallieerde - vooral Britse en Nederlandse - krijgsgevangenen en nog
veel meer Aziatische dwangarbeiders ingezet. Naarmate de oorlog
vorderde, werd de Japanse aanwezigheid hinderlijk. De Thaise handel kwam
tot stilstand en Japanse militairen die voorraden en materieel opeisten,
behandelden Thailand almaar meer als een veroverd gebied dan als een
bondgenoot. Geallieerde bombardementen op Bangkok en andere doelwitten
richtten aanzienlijke schade aan en er vielen duizenden doden. De
publieke opinie en de sympathie van de burgerlijke politieke elite
keerden zich merkbaar tegen het regime van Phibun en de militairen. In
juni 1944 moest Phibun noodgedwongen ontslag nemen en werd zijn regering
vervangen door het eerste grotendeels door burgers gevormde kabinet
sinds de staatsgreep van 1932.
De nieuwe regering werd geleid door Khuang Aphaiwong, een
burger met conservatieve politieke bindingen zoals Seni. Het
invloedrijkste personage van het regime was echter Pridi, die met zijn
anti-Japanse opvattingen voor de Thais almaar aantrekkelijker werd. In
het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog liet Bangkok stilzwijgend
geallieerde agenten op het Thaise grondgebied toe. Op het eind van de
oorlog verwierp Thailand de overeenkomsten die het tijdens de oorlog met
Japan gesloten had. Toch slaagden de burgerlijke leiders er niet in de
eenheid te herstellen. Premier Khuang raakte in onmin bij Pridi en werd
vervangen door Seni, die door de regent voorgedragen kandidaat, die na
zijn ambassadeursfunctie in Washington naar Thailand teruggekeerd was.
De machtsstrijd tussen de verschillende groepen eind 1945 veroorzaakte
een politieke scheiding in de rangen van de burgerlijke leiders en
daardoor konden die niet samen een vuist maken tegen de weer oplevende
politieke macht van het leger in de naoorlogse jaren. Ook schikkingen
die na de oorlog met de geallieerden werden getroffen, verzwakten de
burgerregering. Dankzij de oorlogsbijdrage van de Free Thai Movement
beschouwden de Verenigde Staten tijdens de naoorlogse
vredesonderhandelingen niet als een vijand. Officieel was Thailand
immers nooit met de VS in oorlog geweest. Voor een vredesverdrag
ondertekend werd eiste het Verenigd Koninkrijk echter toch
herstelbetalingen in de vorm van rijst, die naar Malaya moest worden
vervoerd. Frankrijk weigerde dan weer de opname van Thailand in de
Verenigde Naties (UNO), zolang de tijdens de oorlog ingelijfde gebieden
van Frans-Indochina niet waren teruggegeven. De Sovjet-Unie eiste de
intrekking van de anticommunistische wetten. De Thaise regering richtte
een agentschap op dat de levering van rijst als Thaise
schadeloosstelling voor de oorlog moest organiseren. Aanvankelijk moest
Thailand in totaal 1,5 miljoen ton rijst - ongeveer 10 percent van de
jaarlijkse rijstoogst - leveren, maar dat cijfer werd verminderd en
binnen twee jaar had Thailand de herstelbetalingen uitgevoerd. De
regering bleef echter ook daarna nog de rijsthandel regelen, want het
was een instrument waarmee inkomen kon worden voortgebracht. De regering
Seni overleefde maar tot de ondertekening van het vredesverdrag met
Groot-Brittannië in januari 1946. Het publieke ongenoegen groeide als
gevolg van de inflatie, de herstelbetalingen aan de Britten, de afstand
van - volgens veel Thais terecht - ingelijfde territoria en het
wanbeheer op alle bestuurlijke niveaus. Pridi stelde Khuang tijdelijk
weer tot premier aan, maar moest in maart 1946 zelf het premierschap
overnemen om het vertrouwen in de burgerlijke regering te herstellen.
Volgens Pridi hing de macht van elk burgerlijke regime af van een goed
werkend parlement. Daarom stelde hij met zijn kabinet een nieuwe
grondwet op waarin ook parlementaire instellingen voorzien waren. De
grondwet werd in mei 1946 afgekondigd en voorzag in een
tweekamerstelsel. Het lagerhuis (Kamer van Volksvertegenwoordigers) werd
door de bevolking verkozen. Het hogerhuis (Senaat) werd door het
lagerhuis verkozen. De nieuwe grondwet was op maat van Pridi gesneden,
want die behield zo een parlementaire meerderheid die zijn programma's
steunde. De verkiezing van 1946 ging eigenlijk vooraf aan de
bekrachtiging van de nieuwe grondwet en was de eerste waaraan politieke
partijen deelnamen. Twee coalitiepartijen, het Constitutionele Front (Pridi's
eigen partij) en de Samenwerkingspartij, wonnen een grote meerderheid
van de zetels in het lagerhuis, dat een Pridi-gezinde meerderheid naar
het hogerhuis zond. Aan het hoofd van de parlementaire oppositie stond
de Democratische (Prachathipat) Partij, geleid door Seni en Khuang. Twee
weken na de verkiezing van het hogerhuis leed Pridi's aanzien
onherstelbare schade, toen Ananda Mahidol, die enkele maanden ervoor uit
Zwitserland was teruggekeerd, met een kogelwonden in zijn hoofd dood in
zijn bed in het koninklijk paleis werd aangetroffen. Volgens de
officiële versie was de koning door een ongeluk om het leven gekomen,
maar velen betwijfelden dat omdat er slechts zeer weinig feiten bekend
werden gemaakt. Volgens sommige geruchten zat Pridi achter de dood van
de koning. Twee maanden later, in augustus, nam Pridi zogenaamd om
gezondheidsredenen ontslag en vertrok hij naar het buitenland. Luang
Thamrongnawasawat werd premier. De jongere broer van de overleden
koning, de negentienjarige Bhumibol Adulyadej (Rama IX, 1946- ), werd
tot troonsopvolger gekozen. De nieuwe koning was in 1927 in Cambridge,
Massachusetts (Verenigde Staten)
geboren, had zijn jeugd in Zwitserland doorgebracht en bezocht pas in
1945 samen met zijn broer voor de eerste keer Thailand. Hij keerde naar
Zwitserland terug om zijn opleiding af te maken en keerde pas in 1951
naar Bangkok terug om er zijn koninklijk ambt op te nemen.
Omdat Pridi uit de gratie was geraakt en door de wijze
waarop de burgerregering die hem opvolgde, de dood van de koning
onderzocht, herwon de militaire groep rond Phibun een deel van de status
die ze verloren had door het samenspannen met de Japanners tijdens de
Tweede Wereldoorlog. Phibuns medestanders wakkerden het nationalisme
opnieuw op en speelden handig in op de hevige publieke misnoegdheid over
de gedwongen herstelbetalingen van Thailand na de oorlog. Velen gingen
ervan uit dat zij de Thaise economie ontwrichtten. Sommige
legerofficieren verweten de burgerregering ook dat het leger in 1946
nodeloos werd vernederd, toen Thaise eenheden die in het noorden van het
land op verdreven Chinese troepen van de Kwomintang botsten, toch het
bevel kregen te velde uiteen te gaan. De Thaise soldaten werden aan hun
lot overgelaten en moesten het stellen zonder bevoorrading en vervoer.
De militairen hadden ook kritiek op het verzoenende beleid van de
burgerregering ten aanzien van minderheden zoals Chinezen, moslims en
volksstammen in de heuvels. Phibun werd in 1945 als oorlogsmisdadiger
gearresteerd, maar werd niet lang daarna weer vrijgelaten door de
rechtbanken. Phibun was een gehaaid leidersfiguur en stond bekend als
fervente tegenstander van het communisme. Hij kon nog altijd rekenen op
de stem van veel officieren. Zelfs de bourgeoiselite, die ontevreden was
over de economische wanorde en bang over de toenemende communistische
opstanden in de buurlanden, zag in Phibun een geschikte kandidaat voor
het premierschap. Volgens sommige waarnemers zou hij zijn eerherstel aan
de invloed van de Verenigde Staten te danken hebben gehad.
In november 1947 greep de Coup d'Etat Group
(Staatsgreepgroep), geleid door twee gepensioneerde generaals, met steun
van Phibun de macht. Pridi, die nog maar net van zijn wereldreis
teruggekeerd was, vluchtte opnieuw het land uit en vestigde zich
uiteindelijk in China. De coupleiders stelden een interimregering,
geleid door Khuang, aan en beloofden een nieuwe grondwet. Tijdens de
nationale verkiezingen van januari 1948 zag de junta, vooral de groep
rond Phibun, zich in zijn macht bevestigd. Om ook de conservatieve
burgers gunstig te stemmen werd Khuang als premier aangesteld. Khuang
voerde volgens de militairen echter een te onafhankelijke koers en werd
in april 1948 afgezet door Phibun, die intussen veldmaarschalk geworden
was. In de drie jaar erna worstelde premier Phibun om zijn regering
boven water houden en had hij af te rekenen met verschillende pogingen
tot staatsgreep van rivaliserende militaire groepen. Op zoek naar de
nodige steun liet hij toe dat vijandige politieke groeperingen, ook de
conservatieve Democratische Partij van Khuang, deelnam aan het ontwerpen
van alweer een nieuwe grondwet, die in 1949 werd afgekondigd. Toen in
oktober 1948 leiders van een legergroep die tegen Phibun was, werden
gearresteerd, liet men de aanhangers van de vroegere premiers Pridi en
Khuang bij de marine en de mariniers ongemoeid. In februari 1949 werd
een opstand die naar verluidt werd gesteund door aanhangers van Pridi
bij de mariniers en in de marine na drie dagen durende gevechten
onderdrukt. In juni 1951 kwamen mariniers en marinetroepen opnieuw in
opstand en zetten ze Phibun af. Eenheden van de landmacht en de
luchtmacht die Phibun trouw bleven, drukten die opstand echter weer de
kop in. De sterkte van de marine werd verregaand ingeperkt en de marine
werd gezuiverd van hogere marine-officieren. Phibuns beleid tijdens zijn
tweede regeerperiode (1948-1957) leek sterk op het beleid dat hij eind
jaren 30 had ingezet. In 1949 voerde hij opnieuw het gebruik van de naam
Thailand in. Als reactie op het extreme nationalisme had men in
1946 opnieuw voor de naam Siam gekozen. De wetten die de Thaise
samenleving op westerse maat moesten schoeien en die Phibun nog voor de
Tweede Wereldoorlog had afgekondigd, werden opnieuw ingevoerd. Het
middelbaar onderwijs werd verbeterd en de militaire uitgaven werden
aanzienlijk verhoogd. Onder Phibun werden Chinezen lastig gevallen. Men
beschouwde hen als ontrouwe landgenoten en na 1949 als communisten.
Phibuns anti-communistische opstelling beïnvloedde verregaand zijn
buitenlands beleid. Thailand weigerde de Volksrepubliek China te
erkennen, was voorstander van het optreden van de UNO in Korea in 1950
en steunde de Fransen in hun strijd tegen communistische opstandelingen
in Indochina. Tot in 1972 waren Thaise troepen in Zuid-Korea
gestationeerd. Onder Phibun was Thailand de trouwste aanhanger van het
buitenlandse beleid van de Verenigde Staten op Zuidoost-Aziatische
vasteland.
In 1951 deelde Phibun de politieke macht met twee
bondgenoten die samen met hem de staatsgreep van 1947 hadden
georganiseerd en de burgerregering hadden omvergeworpen. De ene was
generaal Phao Siyanon, directeur-generaal van de politie en een
compagnon van Phibun sinds de coup van 1932. De andere was de nog jonge
generaal Sarit Thanarat, commandant van het garnizoen van Bangkok.
Phibuns aanhang bij de militairen smolt weg door de vele intriges tegen
hem. Phao en Sarit werden machtiger dan Phibun, die er alleen maar in
slaagde als premier aan te blijven omdat het tweetal zelf om de
opvolging ruziede. In november 1951 kondigden leger- en
politie-officieren tijdens een radiouitzending mee dat de regering de
grondwet van 1949 opgeschort had en dat opnieuw de grondwet van 1932 van
kracht was. Als reden voor de herinvoering van een eenkamerig parlement,
waarvan de helft van de leden door de regering werd benoemd, gaf men het
gevaar voor communistische agressie op. Kort na de staatsgreep, die de
regering zelf had uitgevoerd, werd koning Bhumibol Adulyadej naar
Thailand teruggeroepen. Voor het eerst sinds 1935 resideerde een
volwassen monarch in het paleis in Bangkok. In februari 1952 werd een
herziene grondwet afgekondigd en werden verkiezingen gehouden voor het
nieuwe, uit een kamer bestaande parlement, waarvan de helft van het
leden nog moest worden benoemd. Bijna alle benoemde parlementsleden
waren legerofficier. Het triumviraat Phibun-Phao-Sarit volgde de
politieke lijn van de voorbije vijf jaar. In november 1952 kondigde de
politie aan dat ze een communistisch complot tegen de regering had
ontdekt en werden vele Chinezen gearresteerd. Veel Chinese scholen
werden gesloten en Chinese verenigingen werden verboden. De campagne
tegen de communisten had een duidelijk anti-Chinese strekking en
bereikte in 1953 een hoogtepunt. In 1954 nam Thailand deel aan een
conferentie in Manila die leidde tot het Zuidoost-Aziatisch Collectief
Defensieverdrag met als militaire organisatie de Zuidoost-Aziatische
Verdragsorganisatie (ZOAVO, opgericht op 8 september 1954). Het hoofdkwartier van de ZOAVO werd
gevestigd in Bangkok en de ZOAVO mocht militaire bases in Thailand
gebruiken. De betrekkingen met de Verenigde Staten bleven vriendelijk en
de Amerikanen bedachten Thailand met aanzienlijke economische,
technische en militaire steun. In 1955 had de Thaise regering een
restrictieve uitvoertaks op rijst, de omstreden rijstpremie,
geheven. Om rijst te mogen verhandelen moest men een
rijstuitvoerlicentie kopen. Het eigenlijke doel van die taks was de
bevordering van de Thaise industrie en de ontmoediging van de
rijstproductie. De regering hoopte dat de heffing op het tonnage
uitgevoerde rijst de prijs van de Thaise rijst op de internationale
markt de hoogte in zou jagen, waardoor de rijst niet langer
concurrentieel was en de uitvoer werd ontmoedigd. De regering kocht dan
de rijstvoorraden op die niet in het buitenland konden worden afgezet om
zo een openbare rijstreserve aan te leggen. De rijst uit die stocks
verkocht ze tegen kunstmatig lage prijzen op de binnenlandse markt. Door
in goedkope rijst te voorzien hoopte de regering de levensduurte in de
stedelijke gebieden laag te houden en eisen om hogere lonen voor te
zijn, zodat de Thaise industriële producten op de internationale markt
concurrentieel zouden zijn. De regering voerde ook aan dat haar
rijstbeleid de diversificatie in de landbouw zou bevorderen, want de
traditionele rijstboeren in de centrale laagvlakte schakelden op andere
gewassen - mäis, suikerriet en ananas - over. De beperking van de
rijstexport had echter geen effect op de rijstboeren in het noorden en
noordosten van het land, want zij produceerden kleefrijst, die enkel
voor lokale consumptie bestemd was. De rijstpremie leidde tot
vrijhandel, dezelfde als die onder het Bowring-verdrag (Vriendschaps- en Handelsverdrag met het Britse Rijk)
uit 1855. De Thaise regering speelde een actieve economische rol zoals
die sinds 1932 door de nationalisten werd bepleit. Tegenstanders van het
rijstbeleid verweten de regering dat de rijstpremie veel te hoog was en
de zwaarste last uiteindelijk liet terechtkomen op de schouders van de
kleine boeren in de centrale laagvlakte. Die boeren teelden rijst
bestemd voor de export, verloren zo een verhoging van hun reële inkomen
en konden niet mee genieten van de voordelen van de Thaise economische
hoogconjunctuur in de jaren 60. Ze zagen geen aanleiding om hun
productie op te voeren, plantten minder aan en beperkten het gebruik van
verbeterd zaaigoed en dure meststoffen. Volgens regeringsfunctionarissen
zouden de internationale en binnenlandse rijstprijzen door de verhoogde
buitenlandse rijstproductie weer op hetzelfde niveau komen en op
die manier de rijstpremie overbodig maken.
De strijd om de macht in de Thaise regering ging
onverminderd door. Phibun probeerde Sarits voorsprong bij het leger te
compenseren door de publieke opinie voor zich te winnen. In 1955 reise
hij door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië en na zijn terugkeer
startte hij in Thailand een beleid van prachathipatai
(democratie), naar eigen zeggen een geschenk van hem aan de natie. Hij
moedigde de mensen aan openlijk kritiek te geven op zijn "open regime".
In navolging van de Speaker's Corner in het Londense Hyde Park
reserveerde hij een deel van een centraal gelegen park in de buurt van
het koninklijk paleis in Bangkok voor openbare discussies. De pres mocht
vrijelijk verslag uitbrengen over de afwijkende meningen die in dat park
werden geventileerd. De kritiek, vooral in de pers, was onverbloemd en
de regering moest het vaak ontgelden. Phibun moedigde kritiek aan en
riep tegelijk een halt toe aan de anti-Chinese mentaliteit. Hij maakte
plannen om de bevoegdheden van lokale besturen uit te breiden en stond
ook toe dat politieke partijen werden opgericht. Toch wilde Phibun niet
echt een democratisch staatsbestuur invoeren, maar hooguit de schijn van
democratie wekken. Phao en Phibun deden er alles aan opdat de regering
tijdens de nationale verkiezingen in februari 1957 de overwinning zou
behalen. Phao kwam aan het hoofd te staan van een nieuw opgerichte
partij, de Seri Manangkhasila. Die was toen de grootste en het best
gefinancierde van de 25 partijen die in reactie op de prachathipatai
werden opgericht. Sarit hield zich afzijdig en distantieerde zich na het
ontgoochelende verkiezingsresultaat. Seri Manangkhasila behaalde
weliswaar een meerderheid, maar de helft van de zittende partijleden
werd verslagen. Sarit en anderen stelden de verkiezingsscore zelfs in
vraag en beschuldigden de regering ervan zelf de stembussen te hebben
gevuld. Toen universiteitsstudenten de straat opgingen om te protesteren
tegen de manier waarop de regering de verkiezingen afhandelde, riep
Phibun de noodtoestand uit en schortte hij de prachathipatai op.
Phibun verwierf niet de steun bij de bevolking waarop hij uit
was. Die poging ondermijnde zijn aanzien bij de militairen. Na de
verkiezing vormde Phibung in maart 1957 een nieuwe regering en benoemde
hij Phao tot minister van binnenlandse zaken, bevoegd voor de
binnenlandse veiligheid. Sarit, die zijn prestige tijdens de verkiezing
niet in de waagschaal had gesteld, werd benoemd tot opperbevelhebber en
kwam als sterkste vertegenwoordiger van de heersende kliek naar voren.
In september 1957 brak hij openlijk met zijn collega's, stuurde hij
tanks de straat op en zette hij Phibun en Phao tijdens een geweldloze
staatsgreep af. Hij schortte de grondwet op en ontbond het parlement. De
koning keurde het optreden van Sarit goed. De koninklijke familie was al
sinds de jaren 30 tegen Phibun. In december vonden nieuwe verkiezingen
plaats onder een interimregering van burgers geleid door Pote Sarasin,
de secretaris-generaal van de ZOAVO. Geen enkele partij veroverde een
meerderheid in het parlement. Sarit vormde een regeringspartij, de
Nationale Socialistische Partij, om de losse coalitie van partijen en
personen die zijn regime steunden, onder een hoed te brengen. Wegens
zijn zwakke gezondheid liet hij de regeringsvorming over aan Thanom
Kittikachorn, zijn plaatsvervanger bij de strijdkrachten. Thanoms
regering werd geplaagd door geruzie in de partij over politieke en
economische voordelen. Het gekibbel verhevigde nog toen ook linkse
politici, die tegen het pro-westerse buitenlandse beleid waren, in de
regering werden opgenomen.
In oktober 1958 nam Sarit met instemming van Thanom, die als
premier ontslag nam persoonlijk de controle over de regering over. Kort
daarvoor was Sarit teruggekeerd uit de Verenigde Staten waar hij zich
grondig medisch had laten behandelen. Sarit beweerde dat hij de
"nationale discipline" in het land wilde aanwakkeren. Hij rechtvaardigde
zijn optreden met de bewering dat de verschillende constitutionele
experimenten van Thailand niet de voor de economische ontwikkeling
vereiste stabiliteit hadden gebracht. Hij verbood politieke partijen en
liet critici van het regime - leraars, studenten, vakbondsleiders,
journalisten en liberale parlementsleden in de gevangenis opsluiten. Een
tiental kranten werden verboden. In januari 1960 kondigde Sarit een
interimgrondwet af. Volgens die voorlopige grondwet moest een assemblee
worden verkozen die een nieuwe, definitieve grondwet - de achtste Thaise
grondwet sinds 1932 - zou opstellen. In de jaren 60 werkte men aan het
ontwerp van die grondwet. Sarit bekleedde het amt van premier zoals
voorzien in de interimgrondwet, maar zijn regime was een echte militaire
dictatuur. Ondanks de politieke tekortkomingen van Sarit was zijn
regering toch dynamischer dan die gedurende de grondwettelijke periode.
Sarit gaf de ministers van zijn kabinet een relatief grote vrijheid bij
het beheren van hun eigen ministerie. Toch nam alleen hij alle
belangrijke beslissingen. Ondanks herhaalde schandalen door
overheidscorruptie leek Sarit begin jaren 60 politieke stabiliteit en
economische groei bereikt te hebben. In 1961 startte de regering het
eerste van een reeks projecten voor economische ontwikkeling ter
bevordering van de werkgelegenheid en verhoging van de productie. Ook al
werden legerofficieren vaak aangesteld tot directeur van
overheidsbedrijven of onderneming die nagenoeg een staatsbedrijf waren,
kreeg het burgerpersoneel een steeds groter wordend aandeel in de
omzetting van het regeringsbeleid. Sarit ontving buitenlandse
investeerders met open armen en verzekerde hen dat ze de bescherming van
de regering genoten. Met steun van de Verenigde Staten en internationale
organisaties werden belangrijke elektrificatie- en irrigatieprojecten
uitgevoerd. Sarit startte bovendien een grootschalige campagne voor
schonere steden. Hij blies het motto "natie-godsdienst-koning", een
krachtige politieke slogan voor zijn regime, nieuw leven in. Volgens hem
moesten het paternalisme van de oude Thaise staat en de liefdadige
idealen van het boeddhisme gecombineerd worden. Hij wilde de koning "in
ere herstellen", door hem actief aan het nationale gebeuren te laten
deelnemen. Hij drong er bij koning Bhumibol Adulyadej en zijn gemalin,
koningin Sirikit, op aan meer contact met de Thaise bevolking, die de
monarchie erg genegen was, te zoeken. Voor de koning en de koningin
tournees georganiseerd om Thailand in het buitenland te
vertegenwoordigen. Sarit speelde ook handig in op de religieuze
gehechtheid van de bevolking. In 1962 centraliseerde hij het bestuur van
de boeddhistische kloosters in een hoger patriarachaat dat zijn bewind
gunstig gezind was. Hij mobiliseerde monniken, vooral in het noorden en
noordoosten van het land, om de projecten van de regering te steunen.
Critici voerden aan dat Sarit de godsdienst vernederd door ze voor
zijn politieke doelstellingen te misbruiken en dat hij de monarchie had
gecompromitteerd door ze voor het legitimeren van een militaire
dictatuur te legitimeren. Volgens hen had het overheidsbeleid die
instellingen niet hersteld maar had het bijgedragen tot een verder
materialisme en secularisme en de uitholling van het boeddhisme in
Thailand. Onder Sarits leiding ging Thailands anticommunistisch beleid
onverminderd verder en werden er stappen genomen om militair te reageren
op de toenemende dreiging van opstand als gevolg van de communistisch
geïnspireerde activiteiten in de buurlanden. Sarit haalde de banden aan
met Thailands anticommunistische buren en met de Verenigde Staten. In
1961 vormden Thailand en de Filipijnen, een ander lid van de ZOAVO,
samen met het nog maar pas onafhankelijk geworden Malaya (vanaf 1963
Maleisië) de Associatie van Zuidoost-Azië (ASA, Association of Southeast
Asia). De Pathet Lao (onder die naam was het linkse Volksbevrijdinsleger
van Laos tot in 1965 bekend) trok in maart 1962 het noorden van Laos
binnen. Dean Rusk, de toenmalige Amerikaanse minister van buitenlandse
zaken, en Thanat Khoman, de Thaise minister van buitenlandse zaken,
kwamen overeen dat ze het Zuidoost-Aziatisch Collectief
Verdedigingsverdrag van 1954 tegelijk als bilateraal en als
multilateraal pact beschouwden. Daardoor konden de Verenigde Staten
Thailand met of zonder de toestemming van de andere ondertekenaars van
het pact te hulp snellen indien nodig. Twee maanden na het akkoord
tussen beide ministers van buitenlandse zaken stationeerde president
John F. Kennedy Amerikaanse troepen in Thailand in reactie op de uit de
hand lopende situatie in Laos. De Thaise regering zag in de komst van
die troepen in mei 1962 het bewijs dat de Verenigde Staten zich
engageerden voor de vrijwaring van Thailands onafhankelijkheid en
integriteit tegenover de communistische expansie. Ondanks de druk van de
Verenigde Staten weigerde Sarit democratische hervormingen in Thailand
door te voeren.
In december 1963 overleed Sarit. Thanom volgde hem als premier op
en volgde nagenoeg hetzelfde buitenlandse en binnenlandse beleid als
zijn voorganger. Hij behield ook het kabinet dat hij van Sarit overerfde
en legde zich vooral toe op het behoud van de politieke stabiliteit, de
bevordering van de economische ontwikkeling, de verhoging van de
levensstandaard en het behoeden van het land tegen binnenlandse en
buitenlandse communistische bedreigingen. Een duidelijke afwijking van
Sarits beleid was evenwel de beslissing van Thanoms regering om op
kortere termijn over te stappen van een door de militaire gedomineerd
bestuur naar een door het volk verkozen regering. De premier drong er
bij de in 1959 aangestelde Constituerende Vergadering op aan zo snel
mogelijk een ontwerp van grondwet klaar te maken. De nieuwe leiding
versoepelde ook de overheidscontrole op de pers, een maatregel die
volgens de autoriteiten bedoeld was om een nieuw, relatief
geliberaliseerd, politiek klimaat te vestigen. De leiders waren het eens
over de wenselijkheid van de invoering van een democratischer politiek
bestel in overeenstemming met de nalatenschap van het land, maar waren
het oneens over de snelheid waarmee de veranderingen moesten worden
doorgevoerd. Volgens enkele leidende functionarissen zou een spoedig
herstel van het normale politieke leven de politieke basis verruimen en
de populariteit van de regering, de monarchie en het boeddhisme alleen
maar versterken. Volgens anderen zou de herinvoering van partijpolitiek
op een ogenblik dat het land ernstige binnenlandse problemen had, de
communisten alleen maar goed uitkomen bij hun pogingen om vakbonden,
politieke en studentenorganisaties te infiltreren. De nieuwe grondwet
werd in juni 1968 afgekondigd, maar de in 1958 uitgeroepen staat van
beleg bleef gelden. Politieke partijen werden toegestaan en kort na
medio 1968 hernam het partijpolitieke leven. In februari 1969 werden
algemene verkiezingen voor de Nationale Vergadering gehouden. De
Verenigde Thaise Volkspartij van Thanom won 75 van 219 zetels in het
lagerhuis en werd zo de grootste van de 13 partijen. Tweede werd de
Democratische Partij met 57 zetels. De gemiddelde jaarlijkse economische
groei van Thailand in de jaren 60 en begin jaren 70 bedroeg niet minder
dan 8 percent, maar die groei was grotendeels te danken aan de militaire
uitgaven van de Verenigde Staten tijdens de oorlog in Vietnam. Ook meer
en meer deviezen stroomden het land in, dankzij de Verenigde Staten en
multilaterale leningen en ook door buitenlandse investeringen,
hoofdzakelijk uit Japan, de Verenigde Staten en Taiwan. Het buitenlandse
beleid concentreerde zich nog altijd op de buurstaat Laos, omdat men
ervan uitging dat een overwinning van de Pathet Lao het noorden en
noordoosten van Thailand zou destabiliseren en Thailand zou openstellen
voor rechtstreekse aanvallen door communistische troepen. Thailand koos
de zijde van de Verenigde Staten in de Republiek Vietnam (Zuid-Vietnam)
en liet basissen in het land toe. Van die bases voerden de Amerikanen
luchtaanvallen op de Democratische Republiek Vietnam (Noord-Vietnam) en
Cambodja uit. In 1968 wagen meer dan 45.000 Amerikaanse soldaten en 500
gevechtsvliegtuigen in Thailand gestationeerd, maar dat werd nooit
officieel erkend omdat de Thais bang waren voor communistische
represailles tegen Thailand. Sarit stelde ook een Thaise legerdivisie
voor de oorlog in Zuit-Vietnam beschikbaar. De mededeling van president
Lyndon B. Johnson in maart 1968 dat de Verenigde Staten de
bombardementen op Noord-Vietnam zouden stopzetten en
vredesonderhandelingen zouden starten, was een kaakslag voor de Thaise
regering, want zij was door de Amerikanen helemaal niet geconsulteerd.
In de Amerikaanse strategische planning bleef de verdediging van
Thailand van essentieel belang voor de veiligheid in Zuidoost-Azië, maar
toch ondernamen de Amerikanen niets tegen Laos, ook al was die buurstaat
zeer belangrijk voor de Thaise nationale veiligheid. Thailand bleef
weliswaar trouw aan zijn toezeggingen maar koos voor een flexibeler
buitenlands beleid in plaats van de al te grote afhankelijkheid van de
Verenigde Staten. Het leger wilde echter dat Thailand een actieve rol
bleef spelen in Zuid-Vietnam en Laos, waar enkele duizenden Thaise
"vrijwilligers" tegen de Pathet Lao vochten. Thanom drong er bij de
Verenigde Staten op aan het regime van Lon Nol in Cambodja in 1970 te
steunen. Hij stelde een formeel bondgenootschap van Thailand, Laos,
Cambodja en Zuid-Vietnam voor. Zo zou het conflict in de regio lijken op
een oorlog van Aziatische anticommunisten voor veiligheid in
Zuidoost-Azië. Het plan kreeg echter niet de steun van de Verenigde
Staten. De communistische activiteiten in Laos en Malaya ondermijnden
reeds de binnenlandse veiligheid in het zuiden en noordoosten van
Thailand in de jaren 50 en werden in de jaren 60 een almaar ernstiger
dreiging. Communistische guerillastrijders, meestal etnische Chinezen,
opereerden in de jungle ten noorden van de Thais-Maleise grens. Ze waren
daarheen gevlucht voor troepen van het Gemenebest van Naties tijdens de
communistische guerillaoorlog tussen 1948 en 1960. Een grotere dreiging
in datzelfde gebied ging uit van moslimrebellen van het Nationale
Bevrijdingsfront van Pattani, een Thaise separatistische groepering van
etnisches Maleiers. In de noordelijke provincies van Thailand werden
Meo-stamleden in 1950 door de Pathet Lao opgeleid en van wapens
voorzien. In het noordoosten speelden ondergrondse linkse partijen in op
het ongenoegen door de vrij lage economische en sociale omstandigheden
en wakkerden zo het verzet tegen de regering aan. De regering in Bangkok
beschouwde de beroering en de protesten tegen haar etnische en
economische beleid vaak als zuivere communistische opstanden, die vaak
met dat ongenoegen gepaard gingen en er handig op inspeelden. Ook
oppositiegroeperingen en critici van het regime in Bangkok werden
doorgaans als communisten bestempeld.
In november 1971 pleegde premier Thanom een staatsgreep tegen
zijn eigen regering. Zo maakte hij een eind aan drie jaar zogenaamde
parlementaire democratie. De grondwet van 1968 werd opgeschort,
politieke partijen werden verboden en het land ging voortaan gebukt
onder een onverbloemde militair regime. Een militaire junta, de
Nationale Uitvoerende Raad, bekleedde de uitvoerende en wetgevende
macht. Aan het hoofd van die Raad stond een triumviraat: Thanom, die
premier bleef, veldmaarschalk Praphat Charusathian, de vice-premier, en
Narong Kittikachorn, een legerkolonel en zoon van Thanom (en schoonzoon
van Praphat). Ondanks een harde onderdrukking van elke oppositie,
groeide de ontevredenheid over het dictatoriale regime aan de
universiteiten, in de vakbonden en bij rivaliserende militaire klieken.
Het ongenoegen draaide vooral rond de Amerikaanse steun voor Thanom, de
toenemende Japanse economische invloed en de overheidscorruptie, die het
regime zelfs niet probeerde te verbergen. De burgerlijke politieke elite
en studenten en arbeiders vonden elkaar in hun verzet tegen Thanoms
doelstelling: de voortzetting van een politieke dynastie in de persoon
van zijn zoon, Narong. Vooral de officieren waren hiermee allerminst
opgezet. Thanoms verheerlijking van zijn eigen familie strookte niet met
het beeld dat hij probeerde te geven en de "burgerlijke religie", die
opriep tot het vereren van "natie, godsdienst, koning". Het triumviraat
negeerde ook volkomen de koning, wiens aanvankelijke enthousiasme voor
Thanom flink was verminderd. Tegenstanders zeiden dat de junta de
godsdienst minachtte. Enkele critici zagen repulikeinse trekjes in het
regime en waren bang dat de volgende staatsgreep van Thanom wel eens de
monarchie ten val kon brengen.
In In december kondigde Thanom een nieuwe interimgrondwet
aan die voorzag in een volledig benoemde wetgevende vergadering. Tweederde van de parlementsleden
moesten uit het leger en de politie komen. Dit lokte - vooral bij de studenten - groot protest uit
en leidde uiteindelijk tot de afzetting van Thanom. In mei en juni 1973 betoogden
studenten en arbeiders in de straten en eisten ze een meer democratische grondwet
en echte parlementsverkiezingen. In oktober nam het geweld opnieuw toe uit protest
tegen de gevangenneming van elf studenten die waren gearresteerd omdat ze pamfletten
tegen de regering hadden uitgedeeld. De betogingen namen in hevigheid toe,
toen almaar meer studenten het einde van de militaire dictatuur eisten. Op 13 oktober
demonstreerden meer dan 250.000 mensen bij het Gedenkteken van de Democratie tegen de regering.
Het was de grootste betoging in de Thaise geschiedenis. De dag erna openden soldaten het vuur
op de betogers en bezetten ze de campus van de Thammasat-universiteit. 75 betogers werden gedood.
Koning Bhumibol wilde dat Thanom ontslag nam en eigende zich een rol toe in de oplossing van de crisis.
Hij wilde verder bloedvergieten vermijden en ontbood Thanom en zijn kabinet voor een gesprek in het
Chitralada-paleis. 's Avonds kondigde de koning op de televisie en de radio een compromisoplossing aan.
Thanom had ontslag genomen als premier maar bleef opperbevelhebber van de strijdkrachten. Na overleg met studentenleiders
benoemde de koning Sanya Dharmasakti (Sanya Thammasak) tot interimpremier en gaf hij hem opdracht
een nieuwe grondwet op te stellen. Sanya, een conservatief, was rector van de Thammasat-universiteit
en het was bekend dat hij sympathiseerde met de studenten. Op 15 oktober stond men
Thailands "drie meest gehate mannen" - Thanom, Praphat en Narong - toe dat ze in het geheim het land verlieten.
De koning verijdelde zo de plannen van studentenmilitanten die de drie wilde laten berechten.
Pas na hun vertrek vernam de bevolking dat de drie mannen het land onvlucht waren. Praphat en Narong
vluchtten naar Taiwan, Thanom vloog eerst naar de Verenigde Staten. De studentenbetogingen van 1973 waren
niet als voorspel tot een revolutie bedoeld geweest. Ze waren deels het gevolg van de frustratie van veel studenten,
die na hun afstuderen geen professionele carrière konden uitbouwen. Dit was echter ook te wijten aan het feit
dat de inschrijvingen aan de universiteiten in de jaren 60 en begin jaren 70 enorm toegenomen waren. De studenten
rechtvaardigden behoedzaam hun verzet tegen de militaire dictatuur door een beroep te doen op godsdienst en monarchie.
Op straat lieten ze de symbolen van de officiële godsdienst zien: figuren van de Boeddha, beeltenissen van de koning en de nationale vlag.
Premier Sanya dankte de studentenbeweging omdat ze de militaire dictatuur ten val had gebracht. Tijdens de staatsplechtigheid ter ere
van de doden van de betogingen van 1973 verklaarde hij: "Dankzij hun dood is er weer democratie en die zullen we voor altijd behoeden."
Toch bracht de politieke koerswijziging in Thailand niet de door sommigen verhoopte en door anderen gevreesde verschuiving naar links.
Studentenleiders die zich door de medeplichtigheid van de koning bij de ontsnapping van Thanom verraden voelden, waren niet blij
met de koers die de nieuwe regering insloeg. De nieuwe grondwet, die in oktober 1974 van kracht werd, voorzag in een door het volk verkozen
Huis van Afgevaardigden en nationale verkiezingen binnen 120 dagen. De politieke partijen namen snel in aantal toe nadat in 1974 wetgeving
werd goedgekeurd die hun inschrijving mogelijk maakte. De parlementsverkiezingen van januari 1975 leverden dan ook een onbeslist resultaat op.
42 officieel erkende partijen namen eraan deel, maar niet een veroverde een meerderheid in het parlement. De partijen werden grotendeels geoganiseerd
rond bekende politieke personaliteiten en weinigen hadden een ideologische basis of een gedetailleerd partijprogramma. Slechts 47%
van de stemgerechtigde kiezers bracht een stem uit. Naar verluidt stonden een algemeen cynisme over de politici en een wanordelijke registratie
van de kiezers aan de basis van de vrij lage opkomst. Volgens waarnemers verliepen de verkiezingen echter niet openlijk corrupt.
Een groot blok van rechtse en centrumpartijen veroverde bijna 90% van de parlementszetels. Geen enkele partij
gold als hervormingsgezind en eigenlijk waren ze allemaal voor de status quo. Aan de linkerzijde pleitte een kleine,
onervaren maar idealistische groep voor de herverdeling van het land en neutraliteit in buitenlandse aangelegenheden.
Seni Pramoj, wiens Democratische Partij de grootste rechtse partij was, stond aan het hoofd van een wankele regering,
die slechts 91 van de 269 zetels in het Huis van Afgevaardigden bezat. Binnen de maand viel zijn regering, die een vertrouwingsstemming
niet overleefde. In maart slaagde Kukrit Pramoj, Seni's broer en leider van de kleine, rechtse Partij voor Sociale Actie (Kit Sangkhom),
erin een stabielere centrumcoalitie rond zich te scharen. Tijdens zijn premierschap stelde Kukrit hervormingen voor zoals
een gedecentraliseerde economische planning en het toevertrouwen van de economische ontwikkeling aan lokaal verkozen comités.
Dergelijke maatregelen strandden echter herhaaldelijk op het verzet van leden van de Nationale Vergadering die hun eigen belangen
veilig probeerden te stellen. Na de val van de regering Thanom stelde men de betrekkingen met de Verenigde Staten duidelijker in vraag.
Veel studenten koesterden nationalistische gevoelens, die vaak met anti-Amerikanisme gepaard gingen, en ze protesteerden tegen een vermeende
Amerikaanse inmenging in de binnenlandse zaken van Thailand. Ze riepen op tot een versnelde terugtrekking van de Amerikaanse troepen.
Door de gewijzigde geopolitieke situatie in Zuidoost-Azië werd de Amerikaanse aanwezigheid opnieuw ter discussie gesteld. Veel Thais vonden
dat het land zich onmogelijk met de communistische buurstaten kon verzoenen, als Amerikaanse militairen op Thais grondgebied gestationeerd waren.
De terugtrekking van 27.000 Amerikaanse soldaten uit Thailand begon in maart 1975 en was medio 1976 een feit. De Thaise regering beklemtoonde
de noodzaak van een verdere Amerikaanse militaire aanwezigheid in Zuidoost-Azië, maar Bangkok zag veel meer heil in een goede economische
en technische samenwerking dan in een militaire coöperatie. De Amerikaans-Thaise relaties kenden een dieptepunt tijdens het Mayagüez-incident
in mei 1975, toen de Verenigde Staten de luchtmachtbasis van Ban U Taphao zonder Thaise toestemming
als uitvalsbasis gebruikten voor het ontzetten
van het Amerikaanse containerschip SS Mayagüez en zijn bemanning, die door de Rode Khmer gegijzeld werd.
Het incident werd gezien als een aanfluiting van de Thaise
soevereiniteit lokte anti-Amerikaanse betogingen in Bangkok uit. Toen
Zuid-Vietnam, Laos en Cambodja in het voorjaar van 1975 onder
communistische controle kwamen, probeerde de Thaise regering in eerste
instantie tot een vergelijk te komen met de overwinnaars, maar in Hanoi
werd ze kil onthaald. In juli echter knoopte Thailand na twee jaar
onderhandelen diplomatieke relaties met China aan. Datzelfde jaar ging
Thailand een actieve rol spelen in de technische en economische
samenwerking in de regio als lid van de ASEAN (Association of Southeast
Asian Nations) sinds de oprichting in 1967. Naast de beleidsmatige
wijzigingen in de eigen regering en in de betrekkingen met andere
landen, kende Thailand ook economische verschuivingen. Kukrits regering
kreeg te maken met sociale onvrede en stijgende prijzen. De economische
boom, die de werkgelegenheid had gestimuleerd en voor ogenschijnlijke
welvaart had gezorgd in de jaren 60, smolt als sneeuw voor de zon,
naarmate de Verenigde Staten haar militaire uitgaven in Thailand
terugschroefde. De aanzienlijke economische groei kon ook geen gelijke
tred houden met de bevolkingsgroei. In 1960 telde Thailand 26 miljoen
inwoners, in 1970 waren dat er al 34 miljoen. Ook al bleef de opbrengst
per hectare landbouwgrond stabiel, volgde de landbouwproductie de
bevolkingsgroei in de jaren 60 en 70 dankzij een verdubbeling van de
landbouwgrond in diezelfde periode. Tegen het midden van de jaren 70 was
alle beschikbare landbouwgrond met uitzondering van het zuidelijke
schiereiland volledig opgebruikt. De toegenomen rijstproductie had
internationale en binnenlandse rijstprijzen op dezelfde niveaus
gebracht, zoals de regeringsleiders in de jaren 60 hadden voorspeld.
Toch bleef de rijstpremie nog altijd van kracht en moest hij nu
helpen de staatsinkomsten te verhogen. In 1975 leverde de rijstpremie
meer dan 40 miljoen dollar op. Volgens bronnen in de regering werd het
grootste deel daarvan gereserveerd voor landbouwontwikkelingsprojecten
als vorm van inkomensverdeling. Het door de rijstpremie veroorzaakte
lage inkomen en het gebrek aan beschikbare kredieten hadden een
omgekeerd effect op de kleine boeren met een eigen landbouwbedrijfje in
de centrale laagvlakte, die grotendeels voor de uitvoer produceerde. De
boeren lieten hun velden voor wat ze waard waren en trokken naar de stad
voor ander werk of ze ging als loonarbeiders op grote landbouwbedrijven
aan de slag. Deze trek naar de steden resulteerde in een enorme
uitbreiding van het hoofdstedelijk gebied Bangkok - Thon Buri, waar de
bevolking in de jaren 60 en 70 met 250% explosief toenam en in 1980 de
kaap van 4,5 miljoen inwoners overschreed. De ordehandhaving was het
dringendste probleem voor het parlementaire bewind en bleek ook het
moeilijkst te realiseren. De communistisch geïnspireerde opstand hield
aan en zorgde voor een algemeen wantrouwen tegenover alle
andersdenkenden. De radicalisering van de studentenbeweging werd
toegeschreven aan communistische invloeden. Studentenleiders werden er
regelmatig van beschuldigd dat ze in opdracht van Peking en Hanoi
handelden. Vooral nadat Zuid-Vietnam, Laos en Cambodja in communistische
handen waren gevallen, bestempelden de militairen en rechtse politici
alle andersdenkenden meteen als communist. Zelfs in gematigde
regeringskringen was men bang voor het aanhoudende activisme van de
studenten en het verzet tegen de monarchie. In april 1975 werden
veertien vakbonds- en studentenleiders op basis van anticommunistische
wetten gearresteerd. Die wetten werden voor het eerst sinds de
omverwerping van Thanom weer gebruikt. Die politieke spanningen werden
ook nog eens aangewakkerd door de overvloed van nieuwe kranten, die na
de afschaffing van de censuur en de beperkingen voor de pers in 1973 het
levenslicht zagen. De meeste hadden een te kleine oplage om economisch
leefbaar te zijn, maar ze gaven wel een stem aan alle mogelijke
politieke overtuigingen en vormden een kakofonie waarmee velen het
moeilijk hadden. Echte nieuwsberichtgeving was voor veel van die kranten
eerder een bijkomstigheid en sommige werden alleen maar gebruikt om
geruchten de wereld in te zenden en tegenstanders af te dreigen.
Regeringsfunctionarissen gaven toe dat ze door de pers werden
geïntimideerd. Politieke moorden en bomaanslagen werden een gewoonte,
toen er een open oorlog losbrak tussen linkse studenten en arbeiders en
rechtse paramilitaire groeperingen, die openlijk door de politie werden
gesteund. In augustus 1975 staakte de politie in Bangkok uit protest
tegen de al te zachte aanpak van de linkse studenten door de regering en
ging ze uitzinnig te keer op de campus van de Thammasat-universiteit.
Verschillende hooggeplaatste legerofficieren en conservatieve burgers
vormden de ultranationalistische beweging Nawa Phon (Nieuwe Kracht) om "natie-godsdienst-koning"
tegen de studenten te verdedigen. Medio 1975 beweerde Nawa Phon al
50.000 leden te tellen. Een groep paramilitaire burgerwachten, de Rode
Gaurs (Rode Stieren), recruteerde 25.000 leden, grotendeels werkloze
afgestudeerden van vakscholen en studenten van technische hogescholen,
om studentenbijeenkomsten te verstoren en stakingen te breken.
Aangenomen werd dat de Rode Gaurs door de politie werden georganiseerd
als inofficiële hulptroepen. Een andere rechtse groepering met
soortgelijke oorsprong waren de Dorpsscouts (Luk Sua Chaoban,
letterlijk: Dorpswelpen). Begin 1976 nam de macht van rechts toe, toen
de militairen Kukrit tot ontslag dwongen, nadat deze legerofficieren van
corruptie had beschuldigd. Het geweld tijdens de verkiezingscampagne in
april eiste dertig doden, onder wie Bunsanong Bunyothanyan, de leider
van de Socialistische Partij. De nieuwe zetelverdeling in het Huis van
Afgevaardigde bracht Seni terug als premier aan het hoofd van een
rechtse, uit vier partijen gevormde coalitie. In augustus deed Praphat
weer zijn intrede in Thailand en werd hij door de koning ontvangen. Seni
verklaarde dat hij geen wettelijke basis had om Praphat het land uit te
zetten, maar de aanwezigheid van de vroegere dictator leidde tot grote
betogingen die hem uiteindelijk dwongen naar Taiwan terug te keren. De
maand daarna was ook Thanom terug in het land, gehuld in een monnikspij
en naar eigen zeggen met de bedoeling in een klooster in te treden.
Ondanks nieuwe protesten liet de ontmoedigde regering hem in het land.
De politieke spanningen tussen linkse en rechtse krachten bereikte een
bloedig hoogtepunt in oktober 1976. Op 5 oktober 1976 publiceerden
rechtse kranten in Bangkok een foto van betogende studenten in de Thammasat-universiteit, die de wurging en ophanging van twee
protesterende studnten door de politie de maand ervoor naspeelden. Later
bleek dat de foto getrukeerd was, maar hij liet zien hoe een van de
studenten leek op kroonprins Vajiralongkorn, de zoon van de koning.
Rechts zag hierin een overduidelijke blijk van majesteitsschennis.
Diezelfde avond omsingelde de politie de campus van de
Thammasat-universiteit, waar 2000 studenten een zitstaking hielden. Er
braken gevechten uit tussen de studenten en de politie (en contingenten
van de paramilitaire Grenspolitie). 's Anderendaags bestormden groepjes
van Nawa Phon en de Rode Gaurs en "stoottroepen" van de Dorpsscouts de
campus en kwam het tot een bloedige aanval waarbij honderden studenten
omkwamen en gewond raakten en meer dan 1000 studenten werden
gearresteerd. Die avond grepen de militairen de macht, richtten de
Nationale Administratieve Hervormingsraad (NARC, National Administrative
Reform Council) op en maakten een eind aan Thailands zoveelste
democratische experiment.
Kaart van de
ASEAN (Association of Southeast
Asian Nations)
Met de steun van de koning en de militaire leden van de Nationale
Administratieve Hervormingsraad (NARC, National Administrative
Reform Council) werd een nieuwe regering gevormd met als premier Thanin
Kraivichien, een vroegere rechter van het Hooggerechtshof, die bekend
stond om zijn eerlijkheid en integriteit. Toch vestigde Thanin, een
burger en fervent anticommunist, een regime dat in veel opzichten
repressiever was dan dat van militaire machthebbers voor hem. Hij legde
een strikte censuur op, onderwierp de vakbonden aan strenge controles en
zuiverde de ambtenarij en het onderwijs van communisten.
Studentenleiders, die door het geweld in oktober 1976 ondergrond waren
gegaan, trokken uit de steden weg en sloten zich aan bij communistische
rebellen in de buitenprovincies. Door Kraivichiens keiharde bewind en de
groeiende overtuiging bij de politieke elite dat universiteitsstudenten,
die zelf tot een geprivilegieerde klasse behoorden, wel erg slecht waren
behandeld, werd Kraivichien in oktober 1977 vervangen door generaal
Kriangsak Chomanand. Kriangsak bleek meer verzoeningsgezind dan zijn
voorganger. Hij beloofde een nieuwe grondwet en verkiezingen in 1979.
Hij pleegde overleg met gematigde vakbondsleiders en verhoogde het
minimumdagloon in de regio Bangkok in 1978 en nog een keer in 1979. Hij
liet een beperkte persvrijheid toe en steunde openlijk het idee van
landhervormingen, ook al werden er op dat gebied geen maatregelen
gepland. In september 1978 verleende hij amnestie aan de 18
dissidenten van Bangkok, die tijdens de gewelddadigheden van oktober
1976 waren opgepakt en door militaire rechtbanken waren berecht. In
december 1978 werd een nieuwe grondwet afgekondigd, die voorzag in een
tweekamerstelstel, de Nationale Vergadering, die bestond uit het door de
bevolking verkozen Huis van Afgevaardigden (301 leden) en de benoemde
Senaat (225 leden). De militairen controleerden de benoeming van de
senaatsleden en konden initiatieven van het Huis van Afgevaardigden
tegenhouden als het ging om belangrijke thema's zoals de nationale
veiligheid, de economie, de begroting en moties van wantrouwen. In de
grondwet van 1978 stond ook dat de premier en zijn ministers niet door
het volk verkozen hoefden te zijn. In april 1979 vonden de geplande
verkiezingen plaats. Gematigde rechtse partijen - de Partij voor Sociale
Actie, de Partij van de Thaise Burgers en de Chart Thai Party (Partij
van de Thaise Natie) - wonnen het grootste aantal parlementszetels,
terwijl de Democraten de meeste van hun zetels verloren. In 1979 en 1980
werden er nog hervormingen doorgevoerd toen de economische
omstandigheden als voorbode van de tweede oliecrisis verslechterden. De
hollende inflatie veroorzaakte een scherpe daling van de levensstandaard
in de verstedelijkte gebieden, vooral in Bangkok. Het talmende optreden
van de regering en de corruptie in de dorpen blokkeerden maatregelen die
bedoeld waren om de boeren te helpen. In 1980 kondigde de regering
Kriangsak een plotselinge verhoging aan van de olie-, gas- en
elektriciteitsprijzen. Die maatregel lokte verzet uit van verkozen
politici en betogingen van studenten en arbeiders vergelijkbaar met die
in 1973. Toen het verzet nog uitbreidde, nam Kriangsak ontslag. In maart
1980 werd generaal Prem Tinsulanonda premier met de steun van jonge
officieren in het leger en politieke burgerleiders. Toen dan was Prem
opperbevelhebber van het leger en minister van defensie geweest.
Prem was een militair, maar toch wilde hij burgers een
grotere rol in de regering toebedelen en was hij voorstander van meer
stabiele en democratisch politieke instellingen. Hij kreeg de steun van
de Democratische Partij en de Partij voor Sociale Actie in het Huis van
Afgevaardigden. In tegenstelling tot Kriangsak benoemde hij grotendeels
burgers tot leden van zijn kabinet. Hij plukte ook de vruchten van de
steun die hij van de koninklijke familie genoot. Dat werd vooral
duidelijk in april 1981, toen "jonge onbesuisde" officieren in de
hoofdstad een poging tot staatsgreep pleegden. Ze richtten een
Revolutionaire Raad op, ontbonden de Nationale Vergadering en beloofden
verregaande sociale veranderingen, onder meer landhervormingen. Prem
haastte zich naar Khorat, waar de koninklijke familie resideerde. Toen
de militaire bevelhebbers buiten Bangkok inzagen dat Prem nog altijd de
steun van de koning genoot, boden ze hem hun steun aan. Op 3 april 1981
herstelden trouw gebleven militaire eenheden de orde in Bangkok en
arresteerden ze de opstandige officieren na een paar schermutselingen
waarbij nauwelijks gewonden vielen. De koning speelde een geringe, maar
doorslaggevende politieke rol. Bij de overgang van de militaire
dictatuur naar de democratie in 1973 had hij een belangrijke aandeel,
maar tussen 1973 en 1976 maakte de koning zich almaar meer zorgen over
de veranderingen door het meer geliberaliseerde politieke systeem. Het
communisme leek niet alleen een niet te onderschatten bedreiging voor de
politiek stabiliteit maar ook voor de koninklijke familie zelf. Dat
verklaart de steun van de koning aan extremistische groeperingen zoals
de Dorpsscouts steunde, zijn controversiële bezoek aan de voormalige
machthebber Thanom in een boeddhistisch klooster aan de vooravond van
het geweld in oktober 1976 en zijn steun aan het repressieve
anticommunistische bewind van Thanin. Bhumibols steun aan Prem na 1980
wijst er echter ook op dat hij - ook al bleef zijn fundamenteel
conservatieve houding ongewijzigd - toch voorstaander was van de
ontwikkeling van stabiele parlementaire instellingen waarin de militaire
een eerder beperkte en geïnstitutionaliseerde rol speelden. Prem kreeg
met zware problemen af te rekenen. Generaal Arthit Kamlangek,
onderbevelhebber van de Sectie van het Tweede Leger, speelde een
hoofdrol bij de onderdrukking van de poging tot staatsgreep in april
1981. Na de "herovering" van Bangkok werd Arthit voor zijn loyauteit
beloond met een benoeming tot bevelhebber van de Sectie van het Eerste
Leger, waartoe ook Bangkok behoorde. In oktober 1982 werd hij tot
opperbevelhebber van het leger benoemd. Arthit stevende af op nog meer
succes en zou wellicht Prem als premier van Thailand opzijschuiven.
Prems regering was ernstig verzwakt door de staatsgreep en voortdurende
onenigheid tussen de civiele leden van zijn kabinet. Economische
problemen wakkerden het publieke ongenoegen over Prem zowel in de steden
als op het platteland nog aan. De studenten engageerden zich opnieuw
meer politiek, maar het links extremisme uit de periode 1973-1976 leek
ver weg. De studenten en arbeiders vereenden hun krachten en
protesteerden tegen de verhoging van de buskaartjes in 1982. De regering
moest de prijsstijging als gevolg daarvan intrekken. Datzelfde jaar
betoogden de boeren met steun van burgerpolitici tegen de verhoging van
de rijstprijzen. Toch was Prem begin 1983 de premier die sinds de val
van Thanom het langs in functie bleef. De militairen waren begin jaren
80 de machtigste politieke groep, maar de burgerlijke politieke
instellingen hadden blijk gegeven van een verrassende vitaliteit. Een
van de redenen voor hun sterkte was dat de politieke partijen tot op
zekere hoogte de bevolking achter economische en sociale vraagstukken
wisten te scharen. Er waren ook aanwijzingen dat de bevolking, vooral in
de steden, genoeg hadden van militaire machthebbers en nu stabiele en
meer open politieke instellingen wensten. Voor april 1983 werden
verkiezingen gepland. De belangrijkste hindernis die nog voor de
verkiezingsslag moest worden opgeruimd, was de bijlegging van de
verhitte discussie over de "overgangsclausules" in de grondwet van 1978.
Die clausules garandeerden de militaire controle op het politieke
bestel, maar moesten op 21 april 1983 verstrijken. Als de clausules niet
via een grondwetswijziging bekrachtigd, zou het hogerhuis of de Senaat
(waarvan de leden allen benoemd waren) niet langer in gemeenschappelijke
zitting met het lagerhuis kunnen vergaderen en zou het op die manier
veel macht verliezen. Ook regeringsfunctionarissen, met inbegrip van
legerofficieren, zouden niet langer van het kabinet deel kunnen
uitmaken. En ten slotte zou de structuur van de kiesdistricten drastisch
worden gewijzigd. Kleine kiesdistricten waar slechts één parlementslid
verkozen werd, zouden worden vervangen door grote kiesdistricten die
hele provincies besloegen. De twee eerste wijzigingen waren uiteraard
voor de militaire elite moeilijk te verteren. De derde wijziging
vervreemdde dan weer de leden van de kleinere politieke partijen, die
geloofden dat de oprichting van kiesdistricten die uit één provincie
bestonden en waar alleen de winnaar de parlementszetel kreeg, hun
vertegenwoordiging in het parlement zou ondermijnen. Die groepen
steunden grondwetswijzigingen waarbij de overgangsclausules definitief
zouden worden en de conservatieve elementen van de grondwet van 1978
zouden bestendigen. De voorgestelde wijzigingen haalden het echter net
niet, toen Chart Thai tegen stemde. Prem bedacht heel snel een compromis
door af te kondigen dat de verkiezingen zouden plaatsvinden voordat de
overgangsclausules (en het systeem van kleine kiesdistricten) op 21
april verstreken. Tijdens de verkiezingen op 18 april wonnen de grote
partijen meer zetels. Er werd een coalitie gevormd van de Partij voor
Sociale Actie, de Democratische Partij en de Partij voor Nationale
Democratie (Chart Prachathipatai), die een nipte meerderheid had in het
lagerhuis (Chart Thai werd van regeringsdeelname uitgesloten, omdat die
partij niet door de militairen werd gesteund). Dankzij de aangehouden
steun van het leger en zijn imago als boven de partijpolitiek verheven
leider werd Prem opnieuw tot premier benoemd.
Vanaf 1977 zocht de Thaise regering onder premier
Kriangsak toenadering tot de nieuwe communistische staten van Indochina.
In 1978 werden met Laos handelsakkoorden en een transitoakkoord
ondertekend. In september 1978 bezocht Pham Van Dong, de Vietnamese
premier, Bangkok en beloofde hij dat zijn regering geen communistische
opstand in Thailand zou steunen. Schermutselingen langs de
Thais-Cambodjaanse grens en aanvallen van Cambodjaanse strijdkrachten op
Thaise grensdorpen verstoorden echter nog altijd de relaties met
Democratisch Kampuchea, zoals het land van 1975 tot 1979 onder de Rode
Khmer heette. De Vietnamese invasie van Cambodja op 25 december 1978 leidde
tot een nieuwe crisis met Thailand. Vietnamese troepen veroverden Phnom
Penh in januari 1979 en riepen enkele dagen later de Volksrepubliek Kampuchea. Cambodja werd daardoor virtueel een satellietstaat van
Vietnam en was niet langer een bufferstaat tussen Vietnam en Thailand.De Thaise en Vietnamese troepen stonden nu oog in oog langs de Thais-Cambodjaanse grens en Vietnamese soldaten drongen herhaaldelijk
het Thaise grondgebied binnen. De Cambodjaanse leider Pol Pot
vluchtte met 30.000 Rode Khmers en bijna 10.000 burgers naar de grens
met Thailand. Met steun van Thailand, dat hem als buffer tegen de
Vietnamezen gebruikte, hielden Pol Pot en de zijnen nog bijna twintig
jaar stand in de jungle. Bovendien vormde de stroom van
Cambodjaanse vluchtelingen een grote belasting voor Thailand ondanks de
noodhulp van andere landen. Thailand stond in de frontlijn tijdens de
Cambodjaanse crisis en eiste samen met andere leden van de ASEAN, de
Verenigde Staten en China een terugtrekking van de Vietnamese troepen
uit Cambodja. In juni 1982 bood de Thaise regering haar steun aan de
anti-Vietnamese coalitie van prins Norodom Sihanouk, Khieu Samphan van
de Rode Khmer en de niet-communistische leider Son Sann. Een van de
onverwachte voordelen van de Cambodjaanse crisis was dan weer de sterke
verbetering van de betrekkingen tussen Thailand en China. In 1983 had
China zijn steun aan Thaise en andere Zuidoost-Aziatische communistische
rebellen drastisch teruggeschroefd als onderdeel van zijn nieuwe beleid
voor betere buitenlandse betrekkingen in de regio.
Ondanks betogingen van studenten en boeren werd Prem in april 1983 herbenoemd tot premier. Hij overleefde een poging tot staatsgreep
in september 1985 en won de verkiezingen in juli 1986. Na verkiezingen
van juli 1988 werd Prem als premier opgevolgd door generaal Chatichai
Choonhavan, die een meerpartijencoalitie leidde. De jaren erna werden
gekenmerkt door een reeks door militairen geleide kabinetten,
hervormingspogingen, pogingen tot staatsgreep, nieuwe verkiezingen en
coalitiepartijpolitiek. In de zakenwereld werden hervormingen
doorgevoerd en de regering liet meer en meer buitenlandse investeringen
toe. Ook de betrekkingen met Cambodja, Laos en Vietnam verbeterden.
De vele beschuldigingen van corruptie en machtsmisbruik
leidden uiteindelijk tot een geweldloze staatsgreep in februari 1991 waarbij
Chatichai door generaal Suchinda Kraprayoon en andere coupleiders aan de
dijk werd gezet.
In maart 1992 werden nieuwe verkiezingen gehouden. Met een nieuwe
grondwet in de hand werd generaal Suchinda Kraprayoon, een van de
coupleiders van februari 1991, de nieuwe premier aan het hoofd van
coalitie van vijf partijen. Toen die partijen hun steun introkken, nam
Suchinda al in mei 1992 ontslag. Anand Panyarachun, een burger die van
maart 1991 tot maart 1992 dienstdoend premier was geweest, werd tot
premier benoemd. Anand wilde verdere hervormingen doorvoeren, maar werd
al na de verkiezingen van september 1992 vervangen door Chuan Leekpai,
de leider van de Democratische Partij (Phak Prachatipat), die aan het
hoofd kwam te staan van een vierpartijencoalitie. Chuans regering voerde
grondwetswijzingen door waardoor de democratie werd verruimd, het Huis
van Afgevaardigden werd uitgebreid, het aantal benoemde Senaatsleden
werd verminderd, de stemgerechtigde leeftijd van 20 tot 18 jaar werd
teruggebracht, de gelijkheid van mannen en vrouwen werd gewaarborgd en
een administratief hof werd ingesteld. In januari 1985 veroverde de
Partij van de Thaise Natie (Phak Chat Thai) het grootste aantal zetels
in het Huis van Afgevaardigden. Banharn Silapa-Archa, de leider van Phak
Chat Thai, kwam aan het hoofd van de nieuwe coalitieregering te staan.
In maart 1996 benoemde Banharn de nieuwe leden van de Senaat. In
tegenstelling tot vroeger waren de meeste senatoren nu burger in plaats
van militair. Banharns coalitie liep op de klippen. Na nieuwe
verkiezingen kwam er in november 1996 een nieuwe zespartijenregering,
geleid door generaal Chavalit Yongchaiyudh, leider van de Phak Khwam
Wang Mai (Partij van Nieuwe Aspiraties). Ondanks de economische expertise
van zijn kabinet slaagde Chavalit er niet in het strenge fiscale beleid
in praktijk te brengen dat voor een heropleving van de verzwakte Thaise
economie nodig was. Medio 1997 brak een grote financiële crisis uit,
toen de baht werd gedevalueerd, de gouverneur van de Thaise Centrale
Bank opstapte en het overal tot protesten kwam. De regering kondigde
besparingsmaatregelen aan, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) kwam
tussenbeide, maar de economie bleef achteruitgaan. Ondanks de nieuwe, in
oktober 1997 afgekondigde grondwet nam het vertrouwen in Chavalit verder
af. Na de verkiezingen in november 1997 werd Chuan Leekpai opnieuw
premier aan het hoofd van een uit zeven partijen bestaande
coalitieregering. Deze wissel van verkozen premiers zonder militaire
interventie was een doorbraak in de democratische ontwikkeling van
Thailand. De baht bleef in waarde verminderen en de sociale onrust nam
toe. In de zomer van 1998 was de economie stabieler geworden, maar
onderzoek van bankpraktijken bracht wanbeheer en onregelmatigheden aan
het licht. Met steun van het IMF herwon Thailand geleidelijk zijn
macro-economische stabiliteit.
In 2002 werden voor het eerst senaatsverkiezingen
gehouden. In januari 2001 veroverde een enkele partij, Phak Thai Rak
Thai (de Partij "Thais houden van Thais"), de absolute
meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. Wegens de vele
beschuldigingen van onwettige verkiezingspraktijken werden in februari
2001 in sommige verkiezingsdistricten nieuwe verkiezingen gehouden. Thai
Rak Thai was na de verkiezingen in januari met een andere partij
samengesmolten en veroverde opnieuw een absolute meerderheid. Toch werd
een coalitieregering opgericht, samen met de Partij van Nieuwe
Aspiraties en de Partij van de Thaise Natie (Chat Thai). Thaksin
Shinawatra (Shinnawat), een luitenant-kolonel van politie, werd premier. Thai Rak Thai
werd nog sterker in 2002, toen de partij veel leden van de Partij van
Nieuwe Aspiraties opnamen. Thaksin wilde verschillende problemen
drastisch aanpakken. Hij lanceerde onder meer een grote antidrugscampagne. Gedurende een operatie van drie maanden, die in april
2003 ten einde liep, werden 2.275 mensen omgebracht. De regering
beweerde dat ze Thailands drugsproblemen voor 90% had uitgeroeid. In
oktober 2004 lanceerde de regering een tweede antidrugscampagne. Een
ander ernstig probleem was het terroristische geweld, vooral in het
zuiden van het land. In 2002 werden verschillende politieofficieren
vermoord en werden er bomaanslagen gepleegd, terwijl de minister van
binnenlandse zaken door het bewuste gebied rondreisde. In vijf scholen
werd brand gesticht. Volgens het Thaise leger waren die gewelddadige
acties het werk van een groep van Al Qaeda. Vermoedelijke leden van de
islamitische terreurbeweging Jemaah Islamiah werden in juni 2003
opgepakt en bekenden dat ze aanslagen op ambassades in Bangkok en
in toeristenoorden beraamden. Er werden nog meer bomaanslagen en
brandstichtingen gepleegd en aanvallen op politiebureaus en een legerbasis
in Narathiwat in januari 2004 verhoogden alleen maar de terroristische dreiging. Alleen al in 2004
kwamen meer dan 500 mensen om door terroristisch geweld in het zuiden
van Thailand. Bij een tsunami die op 26 december 2004 de Andamanse kust
teisterde, kwamen meer dan 5.300 Thais en buitenlanders om het leven en bleven
2.900 mensen vermist. Tijdens de verkiezingen van februari 2005 won Thai
Rak Thai 75% van de zetels in het Huis van Afgevaardigden. Voor de
eerste keer werd een uit één enkele partij bestaand kabinet gevormd. Thaksin
bleef aan als premier. Zijn stemmenverlies in het zuiden van het land
wierp echter een smet op zijn overwinning. Meteen na de verkiezingen
kondigde Thaksin een keiharde aanpak van moslimmilitanten in het zuiden
aan. Dorpen die verdacht werden van hulp aan de militanten en die
nauwelijks met de regering wilden meewerken, werden als "rood"
geclassificeerd en kregen niet langer subsidies uit het SML (Small,
Medium, Large) Village Fund, een kredietlijn voor kleine, middelgrote en
grote dorpen bedoeld om het ondernemerschap aan te moedigen. Dorpen met
"gemiddelde" steun aan de moslimrebellen kregen een "oranje" etiket en
zij die vrij waren van moslimopstandelingen een "groen". Van de 1.580
dorpen in het zuiden van Thailand waren er 358 rood (waarvan 200 alleen
al in de provincie Narathiwat), 200 orangje en 1.000 groen. Deze aanpak
was geïnspireerd op dat van de Thaise overheid in de jaren 70 tegen de
communisten in het noordoosten van het land. In tegenstelling to Thaksin
had men communistische gebieden toen net meer steun gegeven om de linkse
ideologie af te wenden en het hart van de lokale bevolking te
veroveren. Thaksins aanpak en overduidelijke overtreding van de grondwet
lokten een storm van protest uit van de media, de samenleving en de
politieke oppositie. Een groep academici die zichzelf het Netwerk voor
Eensgezindheid en een Vreedzame Aanpak noemde, riep de premier op zijn
gevaarlijke aanpak te herzien. Zelfs generaal Surayud Chulanont,
vroegere opperbevelhebber van de strijdkrachten, vreesde nog meer
instabiliteit in het islamitische zuiden van Thailand. Nauwelijks een
week na de bekendmaking van het nieuwe beleid besliste Thaksin de twee
kamers van het parlement in gemeenschappelijke zitting bij elkaar te
roepen om de problemen in het zuiden te bespreken. De kritiek op zijn
beleid miste blijkbaar zijn uitwerking niet. Tijdens de huidige
democratische periode in Thailand was het parlement slechts twee keer in
gemeenschappelijke zitting bijeengekomen: tijdens de crisis in mei 1992
en tijdens de financiële crisis in 1997. Toch liet het zich aanzien dat
Thaksin, die zich in zijn strijd tegen het moslimterrorisme en de drugs
met de Amerikaanse president Bush vergelijkt, verder zal kiezen voor een
hard optreden.
Thaksin Shinawatra werd
geboren op 26 juli 1949 in Sankamphaeng (Chiang Mai). Hij studeerde af
aan de Thaise Politieacademie en ging in 1973 aan de slag bij de Thaise
politie. In 1978 doctoreerde hij in strafrecht aan de Sam Houston State
University in de Verenigde Staten. Hij maakte bij de Thaise politie
carrière en schopt het tot Deputy Superintendent (onderdirecteur) van de
Policy and Planning Subdivision, General Staff Division, van de politie
van Bangkok. In 1987 verliet Thaksin de politie en richtte hij de
Shinawatra Computer and Communications Group op. Een van de onderdelen
van dat concern, Shinawatra Paging, is momenteel bekend als AIS (Advanced
Info Service), de grootste gsm-maatschappij van Thailand. In 1990 deed
Thaksin met succes een gewaagd overnamebod van 20 miljard baht voor een
20-jarige concessie van de Telephone Organisation of Thailand. Hij begon
zijn politieke carrière in 1994 als minister van buitenlandse zaken voor
de Palang Dharma Partij en beloofde de politiek te zuiveren. Daarna was
hij korte tijd vicepremier en leider van de Palang Dharma Partij, maar
in 1997 viel de partij uit elkaar. In 1998 richtte Thaksin zijn eigen
partij Thai Rak Thai (Thais houden van Thais) op en beloofde hij opnieuw
maatregelen om de corruptie in te dijken. In januari 2001 werd hij
premier van Thailand. Hij zag echter geen graten in het vermengen van
zakenbelangen en staatsbelang. Tijdens zijn staatsbezoeken aan China en
India sloot Shinsat, een divisie van het concern van de familie
Shinawatra, contracten met de respectieve autoriteiten. In 2001 werd hij
weliswaar vervolgd maar niet veroordeeld wegens het verheimelijken van
zijn financiële belangen. Thaksin beet van zich af en beweerde "dat hij
zich niet van de wet bewust was geweest" en dat hij "zich eerlijk
vergist had". Dat zou hij later ook beweren na het schandaal rond het
frauduleuze eindexamen van zijn zoon Panthongtae Shinawatra. Als hij was
veroordeeld, had hij vijf jaar lang geen politieke ambten meer mogen
uitoefenen. Thaksins regering was populistisch en besteedde veel geld
aan goedkope leningen voor de boeren en aan een gesubsidieerde
gezondheidszorg. Ondanks de zware kritiek op Thaksin en TRT en hun
efficiënte marketing- en mediatactiek kan niet worden ontkend, dat ze
hun verkiezingsbeloften ook daadwerkelijk uitvoerden. Op haar hoogtepunt
telde de Thai Rak Thai van Thaksin niet minder dan 14 miljoen leden. Burgerrechtenorganisaties hadden scherpe kritiek op
zijn aanpak van de drugsdealers in 2003, waarbij minstens 2500 verdachten standrechtelijk werden geëxecuteerd,
ook al beweerde de regering dat veel sterfgevallen het gevolg waren van
afrekeningen tussen drugsbenden en smokkelaars. Thaksins keiharde aanpak
van de moslimterroristen in het zuiden van het land had een averechts
effect. In oktober 2004 kwamen 85 betogers om, wat een golf van
bomaanslagen en de onthoofding van boeddhistische lokale prominenten
uitlokte. Thaksin bezondigde zich
ook aan nepotisme, want hij bevoordeelde familieleden en zakenrelaties
bij benoemingen voor overheidsfuncties. Zo bombardeerde hij generaal Chaiyasit Shinawatra, een neef van hem uit een afgelegen district, tot
legerleider. In december 2005 lanceerde de mediamagnaat Sonthi
Limthongkul een anti-Thaksincampagne, onderbouwd met beschuldigingen van
corruptie en immoreel gedrag. De belastingvrije verkoop in januari 2006
van het aandeel van Thaksins familie in de Shin Corporation voor een
bedrag van 1,5 miljard euro wakkerde de gevoelens tegen de clan van
Thaksin nog verder aan. Na massale betogingen in Bangkok schreef Thaksin
in februari 2006 vervroegde verkiezingen uit. Die vonden plaats op 2
april 2006 maar werden door de oppositiepartijen geboycot. Thaksin kreeg
een meerderheid van geldig uitgebrachte stemmen, maar veel stemmen waren
blanco. Op 4 april 2006 trad hij af als premier, maar bleef hij als
waarnemend premier in functie. In mei 2006 vonniste het Hooggerechtshof
dat verkiezingen ongrondwettig waren. De nieuwe Thaise kieswet vereiste
trouwens dat politieke partijen minstens 5% van de stemmen moesten
behalen om kans te maken op een parlementszetel. Alleen de Democratische
Partij wist enigszins tegen de almachtige Thai Rak Thai op te botsen. In
het zuiden van het land veroverde Thaksins TRT-partij trouwens maar één
van de vijf zetels, die van Phang Nga, een provincie die zwaar had
geleden onder de tsunami van december 2004. De Democratische Partij won
ook in 52 kiesdistricten in het zuiden van Thailand en veroverde onder
meer tien van de elf parlementszetels in drie islamitische provincies in
het uiterste zuiden van het land. Tijdens het bewind van Thaksin kwam
ook de persvrijheid in het gedrang. In Thailand heerste een vrij grote
persvrijheid. Kranten en televisiestations brachten vaak kritisch
verslag uit over de machthebbers. Tijdens de verkiezingen kocht Thaksin
ITV, Thailands enige onafhankelijke televisieomroep, op, nadat enkele
journalisten van ITV zeer kritisch over hem hadden bericht. Na de
overname werden die journalisten meteen ontslagen. Thaksin nam ook
kranten over of hij dreigde met peperdure processen of de intrekking van
de reclame van bedrijven uit zijn familie of van zijn zakelijke
relaties. Als gevolg daarvan werd er - met uitzondering van de
Engelstalige kranten The Bangkok Post en The Nation - geen openlijke
kritiek meer op de regering geleverd. Thaksin staat ook bekend om zijn
tactloze uitspraken. Op de Dag van de Grondwet in december 2003
verklaarde Thaksin zonder blikken of blozen: "Democratie is een goed en
mooi ding, maar niet het einddoel. Democratie is niet meer dan een
hulpmiddel. Het doel bestaat erin de mensen een goed leven, geluk en
nationale vooruitgang te geven." Bij de islamitische aanslagen op
scholen en een militair kamp in het zuiden van het land op 4 januari
2004 kwamen vier militairen om het leven. Woedend verklaarde Thaksin
voor de camera dat de militairen het verdiend hadden te sterven, omdat
ze zich door bandieten onder de voet hadden laten lopen. De dag erna zei
hij dat hij verkeerd begrepen was. Als noordelijke Thai kon hij zich
moeilijk in de Centraal-Thaise taal uitdrukken, beweerde hij. Hij
bedoelde niet dat de militairen het verdiend hadden te sterven, maar
gestraft te worden. Op 6 januari 2004 verscheen in de International
Herald Tribune een artikel van Philip Bowring waarin hij kritiek leverde
op het door Thaksin gevoerde beleid. In een commentaar op dat artikel
beschreef Thaksin de journalist in het Thai als een dorpsidioot. Volgens
Thaksin moest men niet iedereen geloven die een een stukje in een krant
kan schrijven en was het artikel niet gefundeerd. Niet-gouvernementele
organisaties, mensenrechtenorganisaties, milieugroeperingen en
plattelandscollectieven werden vaak afgeschilderd als subversief,
antisociaal, onpatriottisch en agenten van het westen. Zowel Human
Rights Watch als Amnesty International kwamen na Thaksins eerste
ambtstermijn als premier tot de conclusie dat de manier waarop de Thaise
overheid met de mensenrechten omging, aanleiding gaf tot grote
bezorgdheid.
Op dinsdag, 19 september 2006, pleegde het Thaise leger een staatsgreep tegen de regering van premier Thaksin Shinawatra.
De vorige coup dateerde van vijftien jaar geleden. De staatsgreep maakte
een eind aan een politieke crisis die al een jaar aanhield en waarbij
premier Thaksin en politieke tegenstanders betrokken waren, minder dan
een maand voor de geplande verkiezingen van het Huis van Afgevaardigden.
De militairen schrapten die verkiezingen, schortten de grondwet op,
ontbonden het parlement, verboden alle protest en politieke
activiteiten, onderdrukten en censureerden de media, riepen de staat van
beleg uit en arresteerden leden van de regering Thaksin. De staatsgreep
verliep geweldloos. Sommige landen, waaronder Australië, reageerden
negatief, andere landen, onder meer China, hielden zich op de vlakte. De
Verenigde Staten, voor wie Thailand een belangrijke, niet tot de NAVO
behorende bondgenoot is, verklaarden dat ze "ontgoocheld waren" en de
staatsgreep "niet gerechtvaardigd was". De nieuwe bewindvoerders noemden
zichzelf de Raad voor Democratische Hervorming (CDR, Council for
Democratic Reform). Op 21 september 2006 maakten ze bekend waarom ze de
staatsgreep hadden gepleegd en beloofden ze dat binnen het jaar een
democratische regering zou worden gevormd. De Raad kondigde echter ook
aan dat hij na de verkiezingen en de vorming van een democratische
regering in een permanente Raad van Nationale Veiligheid zou worden
omgevormd. Over de toekomstig rol van die nieuwe raad werd niets gezegd.
Later stelde de militaire junta een interimgrondwet op en benoemde hij
generaal Surayud Chulanont tot premier.
De staatsgreep volgde na maandenlange geruchten over
onrust bij de strijdkrachten en mogelijke complotten. In mei 2006
verzekerde generaal Sonthi Boonyaratglin nog dat het leger niet zou
ingrijpen, nadat geruchten over een mogelijke militaire staatsgreep de
ronde begonnen te doen. Op 20 juli 2006 werden ongeveer honderd
middelhoge legerofficieren die naar verluidt aanhangers van Thaksin
waren, door het oppercommando van het leger overgeplaatst. Dat voedde
nog meer de geruchten dat het leger nu in twee kampen
gesplitst was: aanhangers en tegenstanders van de premier. In augustus 2006
werden tankbewegingen vlakbij Bangkok gemeld, maar volgens het leger
maakten die deel uit van een sinds lang geplande oefening. Begin
september arresteerde de Thaise politie vijf legerofficieren die
allemaal lid waren van de anti-oproertroepen. Een van de officieren werd
onderschept met een bom in een auto, naar verluidt bedoeld voor de
ambtswoning van de premier. Drie verdachten werden na de staatsgreep
weer vrijgelaten.
Op de avond van 19 september 2006 gooide het Thaise leger de verkozen regering van premier Thaksin Shinawatra omver. De
premier was op dat ogenblik in New York voor de Algemene Vergadering van
de Verenigde Naties. Om 18.30 uur vertrokken speciale troepen van het
leger van de provincie Lopburi naar Bangkok. Prem Tinsulanonda,
voorzitter van de Civiele Lijst, was op audiëntie bij koning Bhumibol
voor de voorbereiding van een ceremonie ter onderscheiding van Bua
Kitiyakara. Om 21.00 uur kwamen de speciale troepen in Bangkok aan. Rond
21.30 uur staakte Channel 5, een televisiezender in handen van het
leger, de normale uitzendingen en zond hij alleen nog liederen uit die de
koning had gecomponeerd. Al gauw deden geruchten de ronde dat het
leger Chitchai Wannasathit, de vicepremier bevoegd voor de nationale
veiligheid, en Thammarak Isaragura na Ayuthaya, de minister van
defensie, had gearresteerd. Thaksins zoon zou het land ontvlucht zijn.
Kort daarna gingen zenders van de nationale radio, de Thaise televisie,
de kabeltelevisie en enkele satellietzenders uit de ether. Om 21.40 uur
arriveerden politiecommando's bij de ambtswoning van Thaksin. Tanks van
het leger namen overal in Bangkok posities in. Om 22.20 uur riep Thaksin
uit New York per telefoon de noodtoestand uit. Hij ontsloeg generaal
Sonthi Boonyaratglin als legerbevelhebber en gaf hem een functie bij de
kanselarij van de premier. Hij gaf opperbevelhebber generaal Ruangroj
Mahasaranon opdracht de crisis op te lossen. Om 23.00 uur kondigde
Thawinan Khongkran, Miss Azië 1987 en hoofd van de Dienst Public
Relations van Channel 5 (een televisiezender van het leger), op tv aan
dat eenheden van leger en politie Bangkok en omgeving nu onder
controle hadden. De junta, die aanvankelijk Raad voor Democratische
Hervorming onder de Constitutionele Monarchie (CDRM, Council for
Democratic Reform under Constitutional Monarchy) heette, koos later voor
de naam Raad voor Democratische Hervorming om te vermijden dat men zou
denken dat de koning een rol speelde in de staatsgreep. Om 23.50 uur
maakte de CDR in een tweede verklaring bekend waarom hij de staatsgreep
had gepleegd. Hij verklaarde "nog eens te willen bevestigen dat hij
geenszins de bedoeling had het land te willen besturen". De raad
beloofde de koning als staatshoofd te willen behouden en de bestuurlijke
macht "zo spoedig mogelijk" aan het Thaise volk terug te zullen geven.
Buitenlandse nieuwszenders zoals BBC World, CNN, CNBC en Bloomberg
Television waren uit de ether gehaald, maar buitenlandse zenders in
Bangkok werden ongemoeid gelaten. Ook de telecommunicatienetwerken
(telefoon en internet) bleven werken. Het leger riep voor het hele land
de staat van beleg uit, beval alle soldaten terug te keren naar hun
kazerne en verbood alle troepenbewegingen waartoe de CDR niet de
toestemming had gegeven. Op de televisie zag men zwaar bewapende troepen
in gepantserde M113-troepentransportwagens en legervoertuigen van het
type M998 HMMWV in de straten van Bangkok. Veel soldaten en militaire
voertuigen droegen gele linten als symbool van hun trouw aan de koning.
Geel is immers de kleur van de Thaise koning. Sonthi Boonyaratglin, de
juntaleider, bevestigde dat Chitchai Wannasathit, de vicepremier, en
Thammarak Isaragura na Ayuthaya, de minister van defensie, gearresteerd
waren. Hoge ambtenaren kregen opdracht zich bij de Raad voor
Democratische Hervorming te melden. De overheidsdiensten en banken
bleven op 20 september gesloten voor het publiek. Enkele uren nadat het
nieuws over de staatsgreep zich verspreidde, meldde BBC News dat de
coupleider later die dag de koning zou ontmoeten, maar toen was het nog
niet duidelijk welk standpunt koning Bhumibol innam.
Op woensdag, 20 september 2006, om 00.39 uur, schortte de Raad voor
Democratische Hervorming de grondwet op en ontbond hij de regering, het
Huis van Afgevaardigden, de Senaat en het Grondwettelijk Hof. Om 01.30
uur kwam het bericht dat premier Thaksin zijn toespraak voor de
Verenigde Naties geannuleerd had. In zijn hotel in New York zag de
premier op de televisie hoe hij aan de dijk werd gezet. Volgens Tom
Kruesopon, een lid van Thai Rak Thai en een raadgever van Thaksin, "had
de premier de macht nog niet afgestaan en zocht hij ook geen politiek
asiel". Om 09.16 uur deelde generaal Sonthi Boonyaratglin tijdens een
persconferentie voor de televisie mee dat het leger noodgedwongen de
macht had gegrepen omwille van de nationale eenheid na de maandenlange
politieke beroering. Hij verklaarde: "We hebben de macht gegrepen. De
grondwet is opgeschort en de Senaat, het Huis van Afgevaardigden, het
kabinet en het Grondwettelijke Hof zijn ontbonden. We zijn het erover
eens dat de demissionaire premier een kloof zonder voorgaande in de
samenleving heeft veroorzaakt, zich bezondigde aan grootschalige
corruptie en nepotisme en zich inliet met onafhankelijke instanties,
waardoor deze niet langer konden functioneren. Als we de demissionaire
regering verder laten regeren, brengt dat het land schade toe. Het
kabinet heeft ook herhaaldelijk de koning beledigd. De Raad kon dus niet
anders dan de macht grijpen om de situatie onder controle te brengen, de
openbare orde te herstellen en zo spoedig mogelijk eenheid te scheppen."
Toch kloppen die beschuldigingen niet helemaal. Uit een onderzoek van de
Wereldbank in 2006 bleek Thailand onder het bewind van Thaksin van 2002
tot 2005 beter de corruptie onder controle gekregen te hebben. Kort na
Sonthi's mededeling hernamen de Thaise televisie-uitzendingen, maar de
kabelzenders slechts ten dele. Grote buitenlandse zenders zoals CNN,
BBC, CNBC, NHK en Bloomberg bleven echter uit de ether. Om 12.14 uur
eisten de coupplegers de medewerking van de massamedia en later
verzochten ze het Ministerie van informatie en communicatietechnologie
alle media-informatie tegen te houden die mogelijk nadelig was voor de
voorlopige militaire raad. Om 14.50 uur werd de grondwet van 1997 - ook
bekend als de Grondwet van het Volk - van de website van de Nationale
Vergadering van Thailand gehaald. De grenzen met Myanmar en Laos gingen
enkele dagen dicht. Tijdens een interview in New York net voor zijn
vertrek naar Londen samen met vicepremier Surakiart Sathirathai,
woordvoerder Surapong Suebwonglee en zijn persoonlijke assistent, Padung
Limcharoenrat, verklaarde Thaksin Shinawatra: "Dit had ik niet verwacht.
Ik kwam hier als premier aan en ga nu als man zonder werk weg. Het geeft
niet dat niemand werk voor me heeft. Ik heb me opgegeven als
vrijwilliger, maar ze willen me geen job geven. Het maakt niets uit."
Thaksin werd naar zijn huis in Kensington geëscorteerd. Daar ontmoette
hij zijn dochter Pinthongta, die in Londen studeert. Volgens een
woordvoerster van Buitenlandse Zaken was Thaksins reis naar Londen een
privé-bezoek. Om 15.35 uur deelde Sonthi Boonyaratglin, de leider van de
junta, mee dat het leger niet zinnens was het privé-vermogen van Thaksin
aan te slaan en de aandelen van de Shin Corporation van Temasek Holdings
terug te eisen. Begin 2006 had Thaksin de aandelen van zijn familie in
de Shin Corporation aan Temasek verkocht. Om 20.17 uur maakte generaal
Sonthi in een televisietoespraak bekend dat koning Bhumibol hem als
leider van de interimregeringsraad zijn steun had toegezegd. Hij
beloofde opnieuw dat hij binnen het jaar de democratie in Thailand zou
herstellen. Later die avond deelde een woordvoerder van de CDR (Raad
voor Democratische Hervorming) mee dat de koning bij koninklijk decreet
generaal Sonthi tot voorzitter van de CDR had aangesteld. In een
dertiende bekendmaking verklaarde de CDR dat het nog maar nieuw verkozen
Verkiezingscomité in functie bleef. De CDR kondigde een zevende bevel af
en bracht de regeringsverantwoordelijkheid in vier afdelingen onder: de
Raad voor Democratische Hervorming (CDR), het Secretariaat, de
Raadgevende Afdeling en de Afdeling voor Speciale Aangelegenheden.
Dinsdagavond rond 21.30 uur werden de dossiers en documenten in verband met
het onderzoek naar de op 24 augustus 2006 geplande bomaanslag op Thaksin
weggehaald uit de Afdeling voor de Beteugeling van de Misdaad (Crime
Suppression Division, CSD). Politieambtenaren die trouw waren gebleven
aan de onderdirecteur van de politie, generaal van politie Priewphan
Damapong (broer van Khunying Potjaman, de vrouw van de afgezette
Thaksin), laadden aanvalswapens van de CSD in voertuigen en vertrokken
naar een onbekende bestemming. 's Middags ontbood de coupleider,
generaal Sonthi, de directeurs van de mediabedrijven in het
hoofdkwartier van het leger. Hij deelde mee dat de media niet langer de
standpunten van de publieke opinie over de militaire staatsgreep mochten
publiceren. Het leger zette die stap nadat het de media aan een strikte
controle onderwierp. Alle informatie die volgens de militairen
schadelijk kon zijn, zou worden tegengehouden. De legerfunctionaris zei
dat de normale televisieprogrammering zou hernemen, maar de raad zou
vanaf 11.00 uur zelf om de twee uur via de televisie mededelingen
uitzenden. Soldaten en tanks van het leger begonnen zich van hun
strategische posities bij regeringsgebouwen terug te trekken. Tot
donderdag bleven er nog vier van de tien tanks bij het
regeringshoofdkwartier staan. Het aantal gewapende soldaten dat daar de
wacht hield, werd verminderd. Luitenant Romklao Thuwatham verklaarde:
"We houden nu nog maar twee compagnieën, 50 tot 60 soldaten, klaar bij
het regeringshoofdkwartier, maar over de totale terugtrekking beslist de
legerbevelhebber, want we vertrouwen de situatie nog niet helemaal." De
coupleider gaf twee andere topmedewerkers van de afgezette premier
Thaksin, Newin Chidchob, als minister aan de kanselarij van de premier
verbonden, en Yongyuth Tiyapairat, minister van natuurlijke rijkdommen
en milieu, opdracht zich bij bij de Raad voor Democratische Hervorming
in het hoofdkwartier van het leger aan te melden. Somkid Jatusripitak,
de afgezette vicepremier, kwam terug uit Frankrijk en landde op de
internationale luchthaven van Don Muang. De gecharterde jet van Thai
Airways die premier Thaksin naar New York en later naar London had
gebracht, werd naar de militaire luchthaven van Don Muang afgeleid. Aan
boord waren zowat twintig leden van de persdienst en lage
functionarissen die waren meegereisd. Tien zwaarbewapende commando's
omsingelden meteen het toestel en inspecteerden het. Alle passagiers
werden na het afstempelen van hun paspoort vrijgelaten. De afgezette
premier Thaksin riep op tot nieuwe, vervroegde verkiezingen in Thailand,
bevestigde dat hij zich uit de politiek terugtrok en drong aan op
"nationale verzoening" na de staatsgreep in Bangkok. Hij verklaarde dat
hij zich nu zou wijden aan ontwikkelingswerk en misschien aan liefdadig
werk. De krant The Nation meldde dat generaal Sonthi
Boonyaratglin nog voor de coup Prin Suwannathat, bevelhebber van de
Eerste Infanteriedivisie en klasgenoot van Thaksin, voor de keuze
stelde. Toen Sonthi hem zei: "We hebben een consensus voor een
staatsgreep. Wat is jouw houding?", zou Prin geantwoord hebben: "Het
hangt allemaal van jullie af." Daardoor gaf hij eigenlijk vrije baan
voor een geweldloze staatsgreep, zonder dat de Thaksin-gezinde troepen
zich zouden verzetten.
Op woensdag, 20 september 2006, verklaarde generaal
Sonthi Boonyaratglin dat de afgezette premier Thaksin naar zijn land
mocht terugkeren, maar wellicht strafrechtelijk zou worden vervolgd.
Premier Surayud Chulanont waarschuwde echter voor een al te snelle
terugkeer van Thaksin, want hij vreesde botsingen tussen aanhangers en
tegenstanders van Thaksin op de dag dat die zou terugkeren. Vicepremier
Surakiart Sathirathai nam samen met Thaksin aan de Algemene Vergadering
van de Verenigde Naties in New York deel, toen de staatsgreep zich
voltrok. Surakiart was kandidaat om Kofi Annan, secretaris-generaal van
de VN, op te volgen. De nieuwe bewindhebbers bleven zijn kandidatuur
steunen. Thanong Bidaya, de minister van financiën, bleef in Singapore,
waar hij een jaarlijkse vergadering van de Wereldbank bijwoonde. Somkid
Jatusripitak, de minister van handel, bleef eerst in Parijs maar vloog
op donderdag, 21 september 2006, naaar Bangkok terug. Kantathi
Suphamongkhon vloog van Parijs, waar hij de Thais-Franse Culturele
Tentoonstelling onder het voorzitterschap van princes Sirindhorn
bijwoonde, naar Londen. Sudarat Keyuraphan, de minister van landbouw,
was naar verluidt met zijn gezin naar Parijs gevlucht. Kongsak Wantana,
de vroegere minister van binnenlandse zaken en bestuurder van Thai Rak
Thai, vluchtte naar Duitsland. Chitchai Wannasathit, de vicepremier
bevoegd voor de binnenlandse veiligheid, werd meteen na de coup
gearresteerd. Thammarak Isaragura na Ayuthaya, de minister van defensie,
was ondergedoken. Naar verluidt waren verschillende hooggeplaatste
partijleden van Thaksin nog altijd in het land, maar waren ze nog niet
door de junta opgepakt.
De junta zorgde ervoor dat de ambtenaren die door de regering Thaksin
waren benoemd en vroegere studiegenoten van Thaksin in de Armed Forces
Preparatory School werden afgezet. Verschillende legerofficieren werden
naar onbelangrijke posten overgeplaatst. Ook 18 hogere politieofficieren
werden ontslagen, want de junta beweerde dat zij een gevaar voor de
nationale veiligheid inhielden, als zij op hun huidige post bleven. Op
20 september 2006 bevestigde de junta dat ingevolge de afschaffing van
de grondwet het Grondwettelijk Hof en andere onafhankelijke instanties
automatisch werden ontbonden. Auditeur-generaal Jaruvan Maintaka behield
evenwel haar positie. Surasit Sangkhapong, directeur van de
Staatsloterij en een medewerker van Thaksin, nam ontslag zodat
auditeur-generaal Jaruvan Maintaka een onderzoek zou kunnen instellen
naar vermeende onregelmatigheden.
De junta regeert op basis van officiële mededelingen. In een van de eerste mededelingen
riep zij de media op haar volledige naam te vermelden, namelijk Raad
voor Democratische Hervorming onder de Constitutionele Monarchie in
plaats van alleen maar Raad voor Democratische Hervorming. Later kortte
de junta formeel haar Engelse - niet haar Thaise - naam in tot Council
for Democratic Reform (Raad voor Democratische Hervorming) om zo
de vermoedens over een mogelijke rol van de koning bij de staatsgreep te
vermijden.
In de 11de officiële mededeling maakte het militaire regime zijn
samenstelling bekend. Alle geledingen van de Thaise strijdkrachten en de
Thaise politie zijn daarin vertegenwoordigd. De junta stelde 58
prominente ambtenaren tot adviseur aan, maar de meesten van hen
bedankten voor die eer.
Op 27 september 2006 werd een ontwerp van
interim-grondwet afgekondigd. Dat ontwerp leek sterk op de grondwetten
van 1991 en 1976 en op het charter van 1959 en verleende uitgebreide
bevoegdheden aan de uitvoerende macht. De Raad voor Democratische
Hervorming zou worden omgevormd in een Nationale Veiligheidsraad (Council
for National Security, CNS), die alle ministers en ontwerpers van een
nieuwe definitieve grondwet zou aanwijzen.